Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2526

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-11-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
12- 4458 GWSP
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Stopzetten van de uitbetaling van de Nederlandse toeslag op het Surinaamse pensioen en het garantiepensioen Suriname.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2014/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4458 GWSP

Datum uitspraak: 21 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

5 juli 2012, 11/3666 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante], te [woonplaatsen] (Suriname) (appellante)

De Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (stichting)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.P. Kuijper, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van de stichting van 5 december 2008. Dit besluit betreft de uitvoering van de Garantiewet Surinaamse pensioenen en de Toeslagregeling Suriname/Nederlandse Antillen. Bij dit besluit is het bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2008 (primaire besluit), niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 5 oktober 2009, 09/872, het beroep ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 23 juni 2011, 09/6121, heeft de Raad de stichting opgedragen om binnen drie maanden na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van

5 december 2008 te herstellen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De stichting heeft op 27 september 2011 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit).

De Raad heeft bij uitspraak van 23 februari 2012, 09/6221 en 11/6040 de uitspraak van

5 oktober 2009 vernietigd, het beroep tegen het besluit van 5 december 2008 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De Raad heeft daarbij overwogen dat met het bestreden besluit niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante. Op het uitdrukkelijke verzoek van appellante heeft de Raad dat besluit echter niet in het hoger beroep tegen de uitspraak van 5 oktober 2009 betrokken, maar de zaak ter verdere behandeling terugverwezen naar de rechtbank.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. Kuijper hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2013. Namens appellante zijn verschenen haar dochter [naam dochter], en mr. Kuijper. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.L.M.J. Gielen en mr. L.H.G. Belleflamme, werkzaam bij de Commissie algemene oorlogsongevallenregeling (Indonesië).

OVERWEGINGEN

1.

Voor een uiteenzetting van de feiten waarvan in dit geding wordt uitgegaan, wordt verwezen naar de onder het procesverloop genoemde tussenuitspraak van 23 juni 2011.

2.

Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.

De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de inhoud van het bestreden besluit. In dit besluit heeft verweerder aangegeven de uitbetaling van de Nederlandse toeslag op het Surinaamse pensioen van appellante en haar garantiepensioen Suriname stop te zetten met ingang van 1 juli 2008. Ook het primaire besluit van 7 juli 2008 betrof het stopzetten van de betaling van toeslag en pensioen met ingang van juli 2008. Voor wat dit betreft had voor appellante van meet af aan duidelijk moeten zijn waar het om draaide. Over het recht op de toeslag en het pensioen over de periode van 16 september 1999 tot 1 juli 2008 heeft de stichting nadien besloten bij besluit van 22 september 2009. Dit besluit, waarbij de over genoemde periode betaalbaar gestelde pensioen- en toeslagbedragen integraal zijn teruggevorderd, staat inmiddels in rechte vast. De genoemde terugvordering is dus thans niet in geding.

4.1.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit artikel 1, onder g, van de Garantiewet Surinaamse pensioenen, in samenhang met artikel 1, onder f, van deze wet genoegzaam blijkt dat de nabestaande zich blijvend in Nederland moet hebben gevestigd teneinde aanspraak te kunnen maken op het garantiepensioen en de toeslag. De Raad slaat daarbij ook acht op het doel en de ratio van de Garantiewet Surinaamse pensioenen, zoals die blijken uit de wetsgeschiedenis (kamerstukken II 1992/93, 23092, nr. 3, p 1-4, en 1993/94, nr. 6, p. 1-2).

4.2.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De stichting heeft naar het oordeel van de Raad op goede gronden mogen concluderen dat appellante sinds 1999 haar hoofdverblijf in Suriname had. Daartoe heeft de stichting in de eerste plaats gebruik mogen maken van de gegevens die in de jaren 2006 en 2007 waren voortgekomen uit onderzoek van de Sociale Verzekeringsbank in verband met het AOW-pensioen van appellante. Daarnaast heeft de stichting eigen onderzoek gedaan. Hierbij is onder meer gebleken dat appellante aanvankelijk op het adres [adres 1] te [woonplaats 1] woonde en later op het adres [adres 2] eveneens te [woonplaats 1].

5.

Uit de Garantiewet Surinaamse pensioenen blijkt dat de stichting bevoegd is tot het toekennen en uitbetalen van een garantiepensioen. De Raad ziet hierin met de rechtbank voldoende grondslag voor de bevoegdheid van de stichting tot het uitvoeren van onderzoek teneinde het recht op garantiepensioen vast te stellen. Hetgeen de raadsman van appellante in dit verband naar voren heeft gebracht met betrekking tot artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) treft geen doel. Het door de stichting uitgevoerde onderzoek behelsde immers niet de uitoefening van de aan een toezichthouder als bedoeld in die bepaling toekomende bevoegdheden, zoals weergegeven in artikel 5:15 en verder van de Awb.

6.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel treft evenmin doel. Appellante heeft geen gelijke gevallen kunnen noemen. Appellante heeft juist benadrukt dat haar geval uitzonderlijk is.

7.

Appellante wordt niet gevolgd in haar betoog met betrekking tot Verordening 883/2004 van het Europees Parlement, betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsel. Het onderhavige pensioen valt buiten het toepassingsgebrek van deze verordening.

8.

Uit het voorgaande volgt dat de stichting op goede gronden heeft kunnen besluiten tot stopzetting van de betaling van het Surinaams pensioen van appellante. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

9.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en B.J. van de Griend en

G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) B. Rikhof

HD