Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2525

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-11-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
12-1432 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning schadevergoeding. Plaatsing als baliemedewerker. Stopzetting van de bezoldiging. Terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde bezoldiging en verrekening. Onvoorwaardelijk strafontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 1432 AW, 12/1433 AW, 12/1434 AW, 12/1435 AW, 12/4323 AW

Datum uitspraak: 21 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 26 januari 2012, 10/1305, 10/2090, 10/2385, 10/2642, 11/422 en 11/1291 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, thans korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend tegen het hoger beroep van de korpschef.

De korpschef heeft op 15 juni 2012 een nieuw ontslagbesluit genomen, dat bij beslissing op bezwaar van 20 december 2012 is gehandhaafd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2013. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. J. Jaab, advocaat. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Timmer-van Dishoeck, W.T. Masselink en M.P. Uppelschoten.

OVERWEGINGEN

1.

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef van politie in de plaats getreden van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Veiligheid en Justitie, als beheerder van het Korps landelijke politiediensten (Klpd). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de desbetreffende minister verstaan.

2.1.

Betrokkene was vanaf 1995 werkzaam bij het Klpd, Dienst Spoorwegpolitie, in de functie van allround politiemedewerker met laatstelijk een taakomvang van 28 uur per week. In november 2003 is betrokkene ziek geworden. Vanaf 19 november 2004 is betrokkene een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

35

tot 45 %. Met ingang van 1 augustus 2009 is betrokkene ontslag wegens ziekte verleend. Na daartegen gemaakt bezwaar en een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar (09/2085) heeft de korpschef bij besluit van 2 november 2009 dat ontslag ingetrokken, omdat er geen zorgvuldig herplaatsingsonderzoek had plaatsgevonden. Een verzoek van betrokkene om toekenning van schadevergoeding vanwege het herroepen ontslag is afgewezen en die afwijzing is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 juli 2010 (besluit 1).

2.2.

Naar aanleiding van het in het besluit van 2 november 2009 aangekondigde nadere onderzoek naar herplaatsingsmogelijkheden is betrokkene in november 2009 de functie van baliemedewerker bij de Dienst Spoorwegpolitie in Utrecht (baliemedewerker) als passende functie voorgesteld. Nadat verschillende diensten hadden geoordeeld dat deze functie passend was voor betrokkene en betrokkene na enige ziekmeldingen meermalen arbeidsgeschikt was verklaard voor de functie van baliemedewerker, is betrokkene bij besluit van 19 april 2010 met onmiddellijke ingang geplaatst in de functie van baliemedewerker. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 juli 2010 ongegrond verklaard (besluit 2).

2.3.

Omdat betrokkene het niet mogelijk achtte om de functie van baliemedewerker te vervullen, heeft zij dit werk niet aangevangen. Dit heeft geleid tot het besluit tot stopzetting van de bezoldiging per 18 juni 2010, dat is gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar van

23 september 2010 (besluit 3). De per abuis over juli 2010 toch uitbetaalde bezoldiging is bij besluit van 16 augustus 2010 teruggevorderd. Dit besluit is gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 23 december 2010, waarbij ook het besluit tot verrekening van de teruggevorderde bezoldiging bekend is gemaakt (besluit 4). Vanwege de weigering van betrokkene om haar werk te verrichten is haar, na bekendmaking aan haar van een daarop gericht voornemen, bij besluit van 28 oktober 2010 met toepassing van artikel 77 eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd (ontslagbesluit). Bij besluit van 12 april 2011 is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (besluit 5).

2.4.

Bij de aangevallen uitspraak zijn de besluiten 1, 2, 3 en 4 in stand gelaten. De rechtbank heeft besluit 5 vernietigd en het ontslagbesluit herroepen.

2.5.

Het hoger beroep van betrokkene is tegen de oordelen van de rechtbank over de besluiten 1, 2, 3 en 4 gericht. Het hoger beroep van de korpschef is tegen het oordeel van de rechtbank over besluit 5 en het ontslagbesluit gericht. Dit hoger beroep betreft niet de vernietiging van besluit 5 vanwege een bevoegdheidsgebrek, maar de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van besluit 5 niet in stand te laten en het ontslagbesluit te herroepen.

2.6.

In verband met het oordeel van de rechtbank dat het onvoorwaardelijk strafontslag niet in stand kon blijven vanwege de lex specialis in artikel 94, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp, heeft de korpschef betrokkene bij besluit van 15 juni 2012 met toepassing van die bepaling ontslag verleend wegens het zonder deugdelijke grond weigeren mee te werken aan de verplichtingen uit hoofde van artikel 49c van het Barp. Bij besluit van 20 december 2012 is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Met instemming van beide partijen en gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals luidend voor de inwerkingtreding van de Wet aanpassing bestuursrecht per 1 januari 2013 (Stb. 2012, 682), worden deze besluiten mede in de beoordeling betrokken.

3.

Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.

. Besluit 1 (schadevergoeding)

4.1.

Bij besluit 1 is de weigering om immateriële schadevergoeding toe te kennen gehandhaafd, omdat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geestelijk leed heeft ondervonden door het onrechtmatige ontslag wegens ziekte. De rechtbank heeft dit onderschreven.

4.2.

In hoger beroep heeft betrokkene haar stelling dat sprake is van geestelijk leed niet nader onderbouwd. In de voorhanden medische stukken heeft de Raad evenals de rechtbank geen aanknopingspunt aangetroffen voor de aanwezigheid van geestelijk letsel ten gevolge van het herroepen ontslag wegens ziekte. Het hoger beroep slaagt in zoverre dus niet en dit onderdeel van de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

. Besluit 2 (plaatsing als baliemedewerker)

5.1.

Ingevolge de artikelen 49b en 49c van het Barp moet de ambtenaar, die wegens ziekte ongeschikt is voor zijn functie, door de werkgever aangeboden passende arbeid aanvaarden. De opgedragen functie van baliemedewerker is door de rechtbank als een passende functie aangemerkt. Zij heeft betrokkene niet gevolgd in haar standpunt dat de reistijd, de onregelmatige diensten en/of de medische omstandigheden een steekhoudend beletsel vormden voor de passendheid van de functie. De moeilijke situatie van betrokkenes dochter maakte dat evenmin anders, omdat het op betrokkenes weg lag om een oplossing te zoeken voor de opvang van haar dochter en de korpschef haar hiervoor voldoende tijd had gegeven.

5.2.

Betrokkene heeft in hoger beroep haar opvatting gehandhaafd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank evenals de door de rechtbank daaraan ten grondslag gelegde motivering. Hieraan voegt de Raad toe, dat al eerder is beslist dat een ambtenaar voor problematische omstandigheden in de persoonlijke sfeer zelf met voortvarendheid een oplossing moet zoeken (CRvB 10 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK7326 en

TAR 2010, 46). Dit geldt evenzeer voor de opvang van betrokkenes dochter toen betrokkene in de functie van baliemedewerker werd geplaatst. De door betrokkene bedoelde medische beletselen zijn blijkens haar uitleg ter zitting angst- en paniekaanvallen bij de gedachte dat zij haar dochter alleen moest laten. Mede tegen de achtergrond van de eigen verantwoordelijkheid van betrokkene om voor persoonlijke omstandigheden een oplossing te zoeken ziet de Raad hierin geen medische beletselen voor de vervulling van de functie. Bij dit oordeel is ook in aanmerking genomen, dat het niet mogelijk is gebleken om betrokkene in een passende functie dichter bij huis te plaatsen en dat er langdurig is gesproken over de mogelijkheid om in deze functie aan het werk te gaan, waarbij de korpschef bereid was om overgangsmaatregelen te laten gelden. Het hoger beroep slaagt in zoverre dus niet en dit onderdeel van de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6.

Besluit 3 (stopzetting van de bezoldiging met ingang van 18 juni 2010)

6.1.

Na de plaatsing in de functie van baliemedewerker en een bevestiging door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) dat betrokkene in staat was dat werk te verrichten, is betrokkene bij brief van 8 juni 2010 opgeroepen om op 18 juni 2010 het werk aan te vangen. Daarbij is de waarschuwing gegeven dat het niet verschijnen als onwettige afwezigheid wordt aangemerkt en dat de bezoldiging met toepassing van artikel 5 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) zal worden stopgezet voor de duur van de tijd dat betrokkene niet komt werken. Betrokkene verscheen niet op het werk en nog op dezelfde dag heeft de bedrijfsarts op basis van een spreekuurcontact geoordeeld dat betrokkene volledige arbeidsmogelijkheden heeft. Bij besluit van 28 juni 2010, zoals gehandhaafd bij besluit 3, is de bezoldiging op grond van artikel 5 van het Bbp met ingang van 18 juni 2010 stopgezet.

6.2.

De rechtbank heeft gewezen op het oordeel over de passendheid van de functie en op de rechtspraak van de Raad (CRvB 1 augustus 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:BJ3195; CRvB

12 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7314 en TAR 2011, 65) dat het niet voldoen aan een opdracht tot hervatten van het werk na een hersteldverklaring gekwalificeerd wordt als het opzettelijk nalaten van het verrichten van de dienst. De rechtbank zag geen nader medisch oordeel waaruit zou volgen dat betrokkene niet in staat was dat werk te doen. Besluit 3 is in stand gelaten.

6.3.

In hoger beroep heeft betrokkene herhaald dat de functie van baliemedewerker geen passende functie is en dat betrokkene niet opzettelijk heeft nagelaten haar werkzaamheden te verrichten. Ook heeft betrokkene aangevoerd dat het ontbreken van een nieuw antecedentenonderzoek een beletsel was om het werk te gaan verrichten.

6.4.

De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en onderschrijft in grote lijnen de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. De Raad voegt hier aan toe dat beroepsgronden over de (niet) passendheid van de functie van baliemedewerker bij de beoordeling van besluit 3 niet meer aan de orde komen. Ook de Raad ziet in de argumenten van betrokkene om niet aan het werk te gaan geen reden om deze werkweigering niet aan te merken als een opzettelijk nalaten haar dienst te verrichten. Of de korpschef voor de werkhervatting een antecedentenonderzoek had moeten doen, speelt geen rol bij de vraag of betrokkene opzettelijk heeft nagelaten haar werk te verrichten en of er grond was om de bezoldiging stop te zetten. Besluit 3 houdt dus in rechte stand en dit onderdeel van de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

7.

Besluit 4 (terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde bezoldiging en verrekening)

7.1.

Omdat in afwijking van het besluit van 28 juni 2010 over de maand juli 2010 de bezoldiging was uitbetaald heeft de korpschef bij besluit van 16 augustus 2010 deze bezoldiging teruggevorderd. Na gemaakt bezwaar is bij besluit 4 de terugvordering gehandhaafd en besloten om dit in december 2010 te verrekenen.

7.2.

De hoger beroepsgronden tegen de ongegrondverklaring van het beroep door de rechtbank zijn gelegen in de onjuistheid van de stopzetting van de bezoldiging en het onvoldoende rekening houden met de financiële belangen van betrokkene.

7.3.

De beroepsgronden over de stopzetting van de bezoldiging kunnen bij de beoordeling van besluit 4 niet aan de orde komen. De stopzetting van de bezoldiging geldt als een gegeven, nu besluit 3 in rechte vast staat. Omdat betrokkene de onjuistheid van de uitbetaling van de bezoldiging over de maand juli 2010 niet heeft betwist, is de bevoegdheid van de korpschef tot terugvordering, die sinds 1 juli 2009 is neergelegd in artikel 116a van de Ambtenarenwet, eveneens een gegeven. De Raad zal, gelet op de discretionaire aard van de bevoegdheid tot terugvordering, in het licht van de aangevoerde beroepsgronden, beoordelen of de korpschef door gebruik te maken van die bevoegdheid in strijd is gekomen met enige regel van geschreven of ongeschreven recht. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat de korpschef aan de (financiële) situatie van betrokkene door de keuzes, die zij in haar positie als ambtenaar had gemaakt, bij zijn belangenafweging een andere betekenis had behoren toe te kennen dan hij heeft gedaan. Nu voorts tegen het besluit tot verrekening van de teruggevorderde bezoldiging geen zelfstandige beroepsgronden zijn aangevoerd, is de conclusie dat besluit 4 in rechte stand houdt en dat dit onderdeel van de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

8.

Besluit 5 (onvoorwaardelijk strafontslag met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp)

8.1.

Voordat de Raad toekomt aan de bespreking van het hoger beroep met betrekking tot besluit 5 zal de Raad een oordeel geven over het standpunt van betrokkene, dat het onvoorwaardelijk strafontslag inmiddels achterhaald is door de gedragingen van de korpschef na de uitspraak van de rechtbank op 26 januari 2012.
8.1.1. Op 7 maart 2012 heeft de korpschef hoger beroep ingesteld. Op 12 maart 2012 heeft de korpschef de gemachtigde van betrokkene op zijn vragen meegedeeld, dat betrokkene formeel weer met terugwerkende kracht vanaf 4 november 2010 aangesteld is als baliemedewerker. Daarbij is kenbaar gemaakt, dat in verband met de overwegingen van de rechtbank over de mogelijke toepasselijkheid van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp de procedure voor een ontslag (met terugwerkende kracht) ingevolge die bepaling in gang wordt gezet. Dit vergt als eerste een advies van het Uwv. Daarbij heeft de korpschef ook melding gemaakt van zijn hoger beroep en dat door de uitkomst daarvan mogelijkerwijs alsnog per

4 november 2010 strafontslag kan zijn verleend. Tegelijk met de aanvraag van een advies bij het Uwv zijn op een verzoek namens betrokkene ook stappen gezet om tot werkhervatting te komen. Op 2 mei 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden waarbij afspraken zijn gemaakt over die werkhervatting. Na het advies van het Uwv bij brief van 7 mei 2012 heeft de korpschef bij brief van 23 mei 2012 meegedeeld geen gevolg meer te geven aan de afspraken die op 2 mei 2012 waren gemaakt. Bij besluit van 15 juni 2012 is betrokkene met ingang van 4 november 2010 ontslag verleend wegens de weigering om de functie van baliemedewerker aan te vangen, onder voorbehoud van de herleving van het strafontslag door een uitspraak van de Raad. Na daartegen gemaakt bezwaar is dit besluit bij besluit van 20 december 2012 gehandhaafd.

8.1.2.

Uit de brieven van de korpschef blijkt duidelijk dat zijn primaire doelstelling na het instellen van het hoger beroep steeds een herleving van het onvoorwaardelijke strafontslag is geweest. Dat de korpschef vanwege de aangevallen uitspraak betrokkene weer moest aanmerken als een aangestelde ambtenaar en daarom mede stappen heeft gezet om te komen tot een ontslag met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp en vervolgens op uitdrukkelijk verzoek van betrokkene gevolg heeft gegeven aan haar wens om als weer aangestelde ambtenaar tot het verrichten van werk te komen, laat onverlet dat de korpschef het doel van het onvoorwaardelijk strafontslag steeds zichtbaar heeft gehandhaafd. Betrokkene heeft aan de hiervoor genoemde omstandigheden niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat het onvoorwaardelijk strafontslag een gepasseerd station was. Dit wordt versterkt door de rechtsbijstand van een rechtsgeleerde raadsman in de onderhavige periode.

8.1.3.

De Raad ziet dus geen grond om het standpunt van betrokkene te volgen en zal de hoger beroepsgronden van de korpschef bespreken.

8.2.

Bij de aangevallen uitspraak is geoordeeld dat er met artikel 94, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp een lex specialis in het leven is geroepen voor het niet meewerken aan re-integratie-inspanningen. Omdat niet duidelijk is geworden waarom de korpschef heeft gekozen voor de meest bezwarende maatregel van een onvoorwaardelijk strafontslag en de rechtbank hiervoor geen rechtvaardiging heeft aangetroffen, is besluit 5 vernietigd en is het ontslagbesluit herroepen.

8.2.1.

De korpschef heeft in hoger beroep met juistheid naar voren gebracht, dat na het besluit van 19 april 2010 tot plaatsing van betrokkene in de functie van baliemedewerker bij betrokkene de situatie van re-integratie van een arbeidsongeschikte medewerker niet meer aan de orde was. Betrokkene was immers geplaatst op een passende functie en zij was voor het verrichten van die functie arbeidsgeschikt verklaard. Daarmee deed zich dus ook niet meer een geval voor van het niet meewerken aan re-integratie-inspanningen door een ambtenaar, die wegens ziekte ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, zoals bedoeld in artikel 94, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp. Omdat betrokkene arbeidsgeschikt was en weigerde de haar opgedragen functie te gaan verrichten, mocht de korpschef een traject van disciplinaire bestraffing in gang zetten.

8.2.2.

Het hoger beroep van de korpschef slaagt dus en dit gedeelte van de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad beoordelen of de rechtsgevolgen van het wegens een bevoegdheidsgebrek vernietigde besluit 5 in stand kunnen worden gelaten.

8.3.

Het bij besluit 5 gehandhaafde onvoorwaardelijk strafontslag is gebaseerd op de weigeringen van betrokkene om aan het werk te gaan op 18 juni 2010 en 2 juli 2010. Betrokkenes bericht van 21 juli 2010 dat zij geen aanvang zal maken met de werkzaamheden, ook niet met gebruikmaking van de overgangsmaatregel inzake de reistijd die haar was aangeboden op 14 juli 2010 is bij besluit 5, anders dan in het ontslagbesluit, niet als plichtsverzuim aangemerkt, maar in aanmerking genomen bij de beoordeling van de evenredigheid van het ontslag aan de aard en ernst van het plichtsverzuim.

8.3.1.

Gelet op de op 19 april 2010 tot stand gekomen plaatsing als baliemedewerker en de nadien herhaalde arbeidsgeschiktverklaringen voor die functie is er geen grond om de weigerachtigheid van betrokkene om op 18 juni 2010 en 2 juli 2010 het opgedragen werk te gaan verrichten niet als plichtsverzuim aan te merken. Verwezen wordt ook naar de uitspraak van de Raad van 28 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3764 en TAR 2011, 9, waarin het eigenmachtig, dat wil zeggen op subjectieve gronden zonder dat steun wordt gevonden in objectieve medische bevindingen, niet voldoen aan opdrachten tot werkhervatting na een arbeidsgeschiktverklaring als (ernstig) plichtsverzuim wordt aangemerkt. Voor de opvatting van betrokkene dat haar sociale omstandigheden meebrengen dat geen sprake is van plichtsverzuim is geen grond. De Raad verwijst naar zijn overwegingen over de

besluiten 2 en 3.

8.3.2.

Voor de aanwezigheid van ontoerekenbaarheid is, anders dan betrokkene meent, in de medische stukken geen aanknopingspunt gevonden. In verband met de zwaarte van de straf heeft de korpschef niet ten onrechte betekenis toegekend aan het overleg van 14 juli 2010 en de daarna gevolgde mededeling dat betrokkene haar werkweigering handhaafde. De Raad acht begrijpelijk dat betrokkene, zoals ter zitting is aangegeven, door de brief van de Arbodienst van 13 juli 2010, waarin is neergelegd dat zij momenteel niet in staat is om te starten met werkzaamheden dit mede vanwege de situatie rondom haar re-integratie, enigermate op de gedachte kan zijn gebracht dat er een wijziging in haar positie was gekomen. Door het tijdens de bespreking van 15 juli 2010 van de zijde van de korpschef ingenomen standpunt had voor betrokkene echter duidelijk moeten zijn dat haar situatie in de kern niet gewijzigd was. Mede gelet op de tijdsbeperking in de brief van 13 juli 2010 komt het voor risico van betrokkene zelf dat zij in haar brief van 21 juli 2010 het voorstel van 15 juli 2010 definitief heeft afgewezen. Gelet op de ernst van het plichtsverzuim kan de door de korpschef gekozen zwaarste straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig worden geacht. Daarbij heeft de Raad mede betekenis toegekend aan het ontbreken van initiatief van betrokkene om de belemmeringen in de privésfeer op te lossen, de meermalen door de korpschef gedane waarschuwing dat het niet gaan verrichten van het werk plichtsverzuim is en tot een disciplinair traject zal leiden en aan het feit dat betrokkene ook door de stopzetting van de bezoldiging als een gewaarschuwd mens gold.
8.3.3. De Raad zal de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 5 dus in stand laten. Dit brengt mee dat de herroeping van het ontslagbesluit door de rechtbank moet worden vernietigd. Dat geldt ook voor de beslissing van de rechtbank om vanwege de herroeping van het ontslagbesluit de korpschef te veroordelen tot vergoeding van de kosten van betrokkene in bezwaar tot een bedrag van € 874,-.

8.4.

Met het oordeel over besluit 5 en het ontslagbesluit is de grondslag ontvallen aan de besluiten van 15 juni 2012 en 20 december 2012. De Raad zal het besluit van 20 december 2012 vernietigen en het besluit van 15 juni 2012 herroepen.

9.

Het verzoek van betrokkene om schadevergoeding zal worden afgewezen.

10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het primaire besluit van 28 oktober

2010 is herroepen en is bepaald dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het

vernietigde besluit van 12 april 2011 (besluit 5) en voor zover de korpschef daarbij is

veroordeeld in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 874,- voor de kosten in

bezwaar;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 12 april 2011 (besluit 5) in stand blijven;

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

- vernietigt het besluit van 20 december 2012 en herroept het besluit van 15 juni 2012;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en E.J.M. Heijs en

B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) S.K. Dekker

HD