Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2523

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
12-1480 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandaanvraag, omdat appellant niet beschikt over een geldige verblijfstitel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1480 WWB

Datum uitspraak: 19 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 februari 2012, 11/5093 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 8 oktober 2013. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, afkomstig uit de Palestijnse gebieden en staatloos, verblijft sinds 1991 in Nederland. Appellant is in 1999 ongewenst verklaard. Appellant was dakloos en wordt thans opgevangen in de medische opvang voor ongedocumenteerden (MOO) in Amsterdam in de vorm van een slaap- en sanitaire voorziening. Appellant ontvangt iedere maand € 170,- leefgeld.

1.2.

Op 16 juni 2011 heeft appellant een aanvraag ingediend voor onder meer bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3.

Bij besluit van 1 juli 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 oktober 2011 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen, omdat appellant niet beschikt over een geldige verblijfstitel. Artikel 11 van de WWB staat daarom aan toekenning van bijstand in de weg.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

De te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand bestrijkt in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dat brengt mee dat hier de periode van 16 juni 2011 tot en met 1 juli 2011 moet worden beoordeeld.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant in de beoordelingsperiode geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt appellant onder artikel 16, tweede lid, van de WWB en kan aan hem zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen bijstand ingevolge de WWB worden toegekend.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat zijn positie erg onzeker is omdat de opvang steeds voor een periode van drie maanden wordt toegekend. Voorts heeft hij aangevoerd dat het verstrekte leefgeld te weinig is.

4.4.

Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 9 november 2011 (ECLI:NL:CVRB:BU4382) en 22 november 2011 (ECLI:NL:CRVB:BU6844) overweegt de Raad dat, indien ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), daaraan niet met toepassing van de WWB gestalte kan worden gegeven. Indien ten aanzien van deze vreemdelingen een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, rust deze op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van de wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen. Daarom kan het antwoord op de vraag of met de aangeboden opvang en financiële verstrekking voldoende recht is gedaan aan artikel 8 van het EVRM in het kader van de WWB in het midden blijven.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2013.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) V.C. Hartkamp

HD