Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2510

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
21-11-2013
Zaaknummer
12-5770 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag WW-uitkering omdat appellant niet beschikbaar was voor arbeid. Appellant kon zich niet verenigen met de beëindiging van zijn ZW-uitkering, omdat hij nog niet hersteld was zodat hij niet beschikbaar was om te werken. Geen sollicitatie-inspanningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5770 WW

Datum uitspraak: 13 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
22 augustus 2012, 12/937 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H. van Akenborgh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Akenborgh. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R.A. Kneefel.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft van 30 november 2010 tot 1 augustus 2011 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Met ingang van laatstgenoemde datum is de ZW-uitkering van appellant beëindigd omdat hij per die datum weer geschikt werd geacht voor zijn arbeid. Bij besluit van 18 augustus 2011 heeft het Uwv de aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) van appellant met ingang van 1 augustus 2011 afgewezen op de grond dat appellant niet beschikbaar was voor arbeid.

1.2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van
18 augustus 2011 gehandhaafd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant meerdere malen, zowel telefonisch als tijdens de hoorzitting in bezwaar, op vragen van het Uwv heeft geantwoord dat hij zich niet kon verenigen met de beëindiging van zijn

ZW-uitkering, dat hij nog niet hersteld was en dat hij niet beschikbaar was om te werken. Ook staat vast dat appellant geen sollicitatie-inspanningen heeft verricht. Op grond van deze feiten heeft de rechtbank geconcludeerd dat appellant feitelijk niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden.

3.

In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep aangevoerde gronden herhaald. Deze komen erop neer dat appellant niet heeft verklaard niet beschikbaar te zijn voor arbeid, maar alleen te kennen heeft gegeven dat hij medische klachten heeft en daardoor niet dan wel in verminderde mate kan werken. Volgens appellant heeft hij getoond beschikbaar te zijn voor arbeid, wat blijkt uit het feit dat hij stond ingeschreven als werkzoekende en dat zijn gemachtigde bij het Uwv heeft geïnformeerd naar zijn sollicitatieverplichtingen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW stelt als voorwaarde om als werkloos in de zin van die wet te worden aangemerkt, dat sprake is van beschikbaarheid om arbeid te aanvaarden. Ter beantwoording is de vraag of appellant gedurende de periode van
1 augustus 2011 tot 3 oktober 2011 aan deze voorwaarde voldeed. Met ingang van laatstgenoemde datum is appellant een WW-uitkering toegekend.

4.2.

Bij de herhaling van zijn beroepsgronden heeft appellant geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten opgeworpen. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.

4.3.

Wat betreft de grond van appellant dat de aangevallen uitspraak onvoldoende is gemotiveerd omdat de rechtbank voorbij is gegaan aan de stelling van appellant dat het Uwv ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid, sluit de Raad aan bij wat het Uwv hierover naar voren heeft gebracht in het verweerschrift.

4.4.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en
R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) J.C. Hoogendoorn

QH