Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2507

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
21-11-2013
Zaaknummer
12-1602 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering uit te betalen wegens te late melding. Appellante heeft met het ingediende formulier geen melding gedaan als bedoeld in artikel 38b, derde lid, van de ZW, nu uit dit formulier op geen enkele wijze valt af te leiden dat een mogelijke aanspraak op grond van artikel 29d van de ZW aan de orde is. Het gaat hier om een algemeen formulier voor eigenrisicodragers. Het gegeven dat werknemer geruime tijd niet aanspreekbaar is geweest, waardoor appellante geen navraag bij hem kon doen, leidt niet tot een ander oordeel. Op grond van artikel 38b, eerste lid, van de ZW was werknemer vanaf het moment waarop hij twee maanden bij appellante in dienst was, gehouden appellante op haar verzoek te informeren over zijn mogelijke aanspraak op een uitkering als bedoeld in artikel 29d van de ZW. Dat appellante er voor heeft gekozen geen navraag te doen naar zijn mogelijke aanspraak op een uitkering als bedoeld in artikel 29d van de ZW dient voor haar rekening en risico te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1602 ZW

Datum uitspraak: 20 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

7 februari 2012, 11/2609 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante](appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Schabos, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2013. Namens appellante zijn verschenen mr. A.J. Hendriks, die de zaak heeft overgenomen van mr. Schabos, en

R.M.J. Slijpen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is eigenrisicodrager voor de Ziektewet (ZW). [naam werknemer] (werknemer) is op 19 april 2010 als uitzendkracht bij haar in dienst getreden. Op

12 augustus 2010 heeft appellante een formulier ‘ziekteaangifte voor eigenrisicodrager Ziektewet’ bij het Uwv ingediend, waarop zij heeft ingevuld dat werknemer zich op

19 juli 2010 heeft ziek gemeld. Op 26 januari 2011 heeft het Uwv een brief van

25 januari 2011 van appellante ontvangen, met daarbij gevoegd een formulier ‘ziekteaangifte in verband met aanvraag Ziektewet-uitkering’. In de brief heeft appellante vermeld dat het gaat om een claim op grond van de in artikel 29d van de ZW neergelegde compensatieregeling loonkosten bij ziekte van oudere en voormalig langdurig werklozen. Op het formulier zelf heeft appellante ‘art. 29d ZW’ geschreven.

1.2. Bij besluit van 15 februari 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat werknemer binnen de termen van de compensatieregeling valt en aan hem meegedeeld dat hij vanaf

18 oktober 2010 recht heeft op een ZW-uitkering. In verband met een te late melding heeft het Uwv echter besloten de ZW-uitkering over de periode van 18 oktober 2010 tot en met

25 januari 2011 niet uit te betalen. Het Uwv is daarbij uitgegaan van de op 26 januari 2011 ontvangen melding.

1.3. Bij besluit van 22 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 februari 2011 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe verwezen naar artikel 38b, derde en vierde lid, van de ZW, zoals luidend ten tijde van belang. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in het standpunt dat pas op 26 januari 2011 sprake is geweest van een melding als bedoeld in artikel 38b, derde lid, van de ZW.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat zij wel tijdig heeft gemeld, namelijk met het formulier van 12 augustus 2010. Voorts heeft zij aangevoerd dat werknemer in coma heeft gelegen en daardoor geruime tijd niet aanspreekbaar was. Appellante was daardoor pas eind januari 2011 in de gelegenheid bij werknemer na te vragen of hij binnen de termen van de compensatieregeling viel.

3.2.

Het Uwv heeft in hoger beroep evenals in beroep benadrukt dat het formulier ‘ziekteaangifte voor eigenrisicodrager Ziektewet’ slechts bedoeld is om het Uwv mee te delen dat een werknemer die onder het eigen risico valt ziek is. Dit formulier dient niet om een

ZW-uitkering aan te vragen. Appellante heeft op dit formulier ook niets vermeld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat een ziekmelding als omschreven in artikel 38b, derde lid, van de ZW beoogd zou zijn. Pas met het formulier ‘ziekteaangifte in verband met aanvraag Ziektewet-uitkering’ is melding gemaakt van een situatie als bedoeld in artikel 29d van de ZW en aanspraak gemaakt op een uitkering op grond van de in dat artikel neergelegde compensatieregeling. Het Uwv heeft ter zitting van de Raad desgevraagd toegelicht dat appellante weliswaar niet het specifiek op de situatie van artikel 29d van de ZW toegesneden formulier heeft gebruikt, maar dat het Uwv coulance betracht in die zin dat ook bij gebruik van een onjuist formulier een aanvang wordt gemaakt met de verdere behandeling, waarna zo nodig gevraagd wordt om eventuele ontbrekende informatie. Voor het Uwv is van doorslaggevend belang dat duidelijk is dat aanspraak wordt gemaakt op een bepaalde uitkering, in dit geval een uitkering op grond van artikel 29d van de ZW.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat werknemer valt binnen de termen van artikel 29d van de ZW; hij is geboren voor 8 juli 1954, heeft voor hij in dienst trad bij appellante ten minste 52 weken een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen, is binnen vijf jaar nadat hij bij appellante in dienst is getreden wegens ziekte ongeschikt tot werken geworden en deze ongeschiktheid tot werken heeft meer dan 13 weken geduurd. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of appellante tijdig melding heeft gedaan bij het Uwv.

4.2.

Volgens artikel 38b, derde lid, van de ZW meldt de werkgever, indien een mogelijke aanspraak op grond van artikel 29d van de ZW bestaat, uiterlijk op de vierde dag nadat dertien weken van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte van de werknemer zijn verstreken, aan het Uwv de eerste werkdag waarop die werknemer wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.

4.3.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante met het formulier van

12 augustus 2010 geen melding heeft gedaan als bedoeld in artikel 38b, derde lid, van de ZW, nu uit dit formulier op geen enkele wijze valt af te leiden dat een mogelijke aanspraak op grond van artikel 29d van de ZW aan de orde is. Het gaat hier om een algemeen formulier, dat door eigenrisicodragers moet worden ingevuld voor elke werknemer die zich ziek meldt, ongeacht of aanspraak kan worden gemaakt op een ZW-uitkering of niet.

4.4.

Overigens is het, anders dan de rechtbank lijkt te suggereren, niet zo dat een werkgever wanneer het gaat om een werknemer die mogelijk aanspraak kan maken op een uitkering op grond van artikel 29d van de ZW pas een geldige melding kan doen bij het Uwv nadat de ongeschiktheid van de werknemer 13 weken heeft geduurd. Naar het oordeel van de Raad kan dit niet uit de tekst van artikel 38b, derde lid, van de ZW worden afgeleid. Het Uwv heeft dit ter zitting van de Raad erkend en toegelicht dat eerdere meldingen wel worden geaccepteerd en dat slechts met de verdere verwerking daarvan wordt gewacht tot de termijn van 13 weken is verstreken.

4.5.

Pas met de op 26 januari 2011 door het Uwv ontvangen brief van 25 januari 2011, met bijgevoegd formulier, is duidelijk geworden dat appellante zich tot het Uwv wendde ter zake van een werknemer die binnen de termen van artikel 29d van de ZW zou kunnen vallen. Pas op dat moment was derhalve sprake van een melding als bedoeld in artikel 38b, derde lid, van de ZW. Nu werknemer al op 18 oktober 13 weken ongeschikt was geweest en appellante uiterlijk op de vierde dag nadat 13 weken van ongeschiktheid verstreken waren melding had moeten doen, moet worden geconcludeerd dat de melding van 26 januari 2011 te laat was.

4.6.

Artikel 38b, vierde lid, van de ZW, zoals dit luidde ten tijde van belang, verklaarde op de melding bedoeld in het derde lid artikel 38a, derde lid, van de ZW van overeenkomstige toepassing.

4.7.

Uit artikel 38a, derde lid, van de ZW, zoals dit luidde ten tijde van belang, volgde dat bij een te late melding het ziekengeld niet werd uitbetaald tot de datum van die melding.

4.8.

Het Uwv heeft derhalve terecht besloten het ziekengeld van werknemer over de periode van 18 oktober 2010 tot en met 25 januari 2011 niet uit te betalen.

4.9.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het gegeven dat werknemer geruime tijd niet aanspreekbaar is geweest, waardoor appellante geen navraag bij hem kon doen, niet tot een ander oordeel kan leiden. Op grond van artikel 38b, eerste lid, van de ZW was werknemer vanaf het moment waarop hij twee maanden bij appellante in dienst was, gehouden appellante op haar verzoek te informeren over zijn mogelijke aanspraak op een uitkering als bedoeld in artikel 29d van de ZW. Werknemer was op 19 juni 2010, een maand voor het intreden van zijn ongeschiktheid, twee maanden in dienst bij appellante. Dat appellante er voor heeft gekozen geen navraag te doen naar zijn mogelijke aanspraak op een uitkering als bedoeld in artikel 29d van de ZW dient voor haar rekening en risico te blijven. Naar het Uwv ter zitting heeft toegelicht had appellante er voorts voor kunnen kiezen, gelet op de geboortedatum van werknemer en de datum van indiensttreding, een melding te doen bij het Uwv met het verzoek aan het Uwv na te gaan of werknemer voorafgaand aan zijn indiensttreding ten minste 52 weken een uitkering op grond van de WW had ontvangen.

4.10.

Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.9 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) S. Aaliouli

RH