Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2505

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
21-11-2013
Zaaknummer
12-5306 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering ZW-uitkering. 1) Onvoldoende aannemelijk is geworden dat op 18 augustus 2010 aan betrokkene een besluit tot beëindiging van ziekengeld is uitgereikt. De omstandigheden waaronder betrokkenes arbeidsongeschiktheid op 18 augustus 2010 is beoordeeld - betrokkene was op het spreekuur bij de arbeidsdeskundige en is op verzoek van deze zonder voorafgaande afspraak aansluitend bij de verzekeringsarts geweest, waarbij hij de spreekkamer voorts na woordenwisseling ontstemd heeft verlaten - wijzen niet op een regulier voorbereid en uitgevoerd spreekuur. 2) Het kon betrokkene redelijkerwijs duidelijk zijn dat hij ten onrechte na 18 augustus 2010 ZW-uitkering is blijven ontvangen. Volgens het rapport van de arbeidsdeskundige van 18 augustus 2010 is met betrokkene besproken dat hij hersteld was en is hij verwezen naar het UWV Werkbedrijf om WW aan te vragen. Betrokkene heeft dat ook kort daarna gedaan en aan hem is naar aanleiding van zijn aanvraag ook met ingang van 19 augustus 2010 WW-uitkering verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5306 ZW

Datum uitspraak: 20 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

16 augustus 2012, 12/491 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C.J.M. van den Bos-Ackermans, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2013. Namens appellant is verschenen mr. M.J. van Steenwijk. Betrokkene is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 27 oktober 2009 is aan betrokkene met ingang van 5 september 2009 uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 18 augustus 2010 is betrokkene op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest. In het verzekeringsgeneeskundige rapport van die datum is vermeld dat appellant met ingang van 19 augustus 2010 hersteld is.

1.2. Naar aanleiding van zijn aanvraag om uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) is aan betrokkene bij besluit van 24 september 2010 met ingang van 19 augustus 2010
WW-uitkering toegekend. Daarnaast is hij ZW-uitkering blijven ontvangen. Aan betrokkene is bij besluit van 18 augustus 2011 bericht dat zijn recht op ziekengeld na 104 weken eindigt en dat daarom tot en met 31 augustus 2011 ziekengeld wordt betaald.

1.3. Nadat appellant zich in september 2011 had gerealiseerd dat hij ook over de periode van 19 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2011 ziekengeld aan betrokkene was blijven betalen - over de periode van 19 augustus 2010 tot en met 18 november 2010 naast een
WW-uitkering - heeft appellant bij besluit van 31 oktober 2011 onder meer het volgende aan betrokkene meegedeeld:

“Met ingang van 19 augustus 2010 bent u hersteld verklaard. Hierover is een aparte brief gestuurd. Wij hebben echter uitkering overgemaakt tot en met 31 augustus 2011. Hierdoor hebben wij de Ziektewet-uitkering over de periode van 19 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2011 (gedeeltelijk) ten onrechte aan u betaald . De te veel betaalde uitkering bedraagt bruto euro 11.359,53. Dit bedrag wordt van u teruggevorderd.”

1.4. Bij besluit van 8 maart 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 31 oktober 2011 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd met opdracht aan appellant een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Samengevat heeft de rechtbank daartoe, met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 2 september 2009 (LJN BJ7127), overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat op 18 augustus 2010 een besluit aan betrokkene is uitgereikt en dat betrokkene de ontvangst van een besluit waarbij hij met ingang van 19 augustus 2010 hersteld is verklaard, niet ongeloofwaardig heeft ontkend. Dat in beroep een niet volledig ingevuld formulier “Beslissing van arbeidsgeschiktheid volgens de ziektewet” van 18 augustus 2010 door appellant is ingezonden en dat uit verschillende stukken zou kunnen worden afgeleid dat betrokkene van de hersteldverklaring op de hoogte moet zijn geweest leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel omdat de hersteldverklaring moet worden onderscheiden van een besluit tot weigering van
ZW-uitkering. De rechtbank heeft geconcludeerd dat een moederbesluit voor de terugvordering ontbreekt zodat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

3.

Appellant heeft in hoger beroep primair zijn standpunt gehandhaafd dat op 18 augustus 2010 een beslissing van arbeidsgeschiktheid volgens de ZW aan betrokkene is uitgereikt en dat uit de gedragingen van betrokkene zoals blijkt uit het rapport van de arbeidsdeskundige van 18 augustus 2010 en de door betrokkene aangevraagde WW-uitkering moet worden afgeleid dat de ontkenning van de ontvangst daarvan door betrokkene ongeloofwaardig is. Subsidiair heeft appellant betoogd dat in de beslissing van 31 oktober 2011 gelezen kan worden dat betrokkene per 19 augustus 2010 hersteld wordt geacht en dat zijn recht op
ZW-uitkering per die datum is ingetrokken, zodat in ieder geval gelijktijdig met de terugvordering een moederbesluit is uitgereikt. Meer subsidiair heeft appellant gesteld dat een moederbesluit als bijlage bij het in beroep ingediende verweerschrift van 16 mei 2012 aan betrokkene is kenbaar gemaakt. Met verwijzing naar artikel 30a, eerste lid van de ZW en de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Beleidsregels) acht appellant op de subsidiaire en meer subsidiaire grond terugvordering mogelijk.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Evenals de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen is de Raad van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat op 18 augustus 2010 aan betrokkene een besluit tot beëindiging van ziekengeld is uitgereikt. De omstandigheden waaronder betrokkenes arbeidsongeschiktheid op 18 augustus 2010 is beoordeeld - betrokkene was op het spreekuur bij de arbeidsdeskundige en is op verzoek van deze zonder voorafgaande afspraak aansluitend bij de verzekeringsarts geweest, waarbij hij de spreekkamer voorts na woordenwisseling ontstemd heeft verlaten - wijzen niet op een regulier voorbereid en uitgevoerd spreekuur. Met appellant ziet de Raad in de voorhanden gegevens weliswaar zeker aanknopingspunten voor het standpunt dat betrokkene is meegedeeld dat hij niet langer ziek werd geacht, maar de rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat zodanige mededeling moet worden onderscheiden van een besluit tot weigering van ZW-uitkering. De primaire grond slaagt dan ook niet.

4.2.

Het in hoger beroep ingenomen subsidiaire standpunt slaagt. De Raad is van oordeel dat het terugvorderingbesluit van 31 oktober 2011 voldoende duidelijk maakt dat het recht op ZW-uitkering met terugwerkende kracht tot 19 augustus 2010 wordt ingetrokken. Tegen zijn hersteldverklaring heeft betrokkene zich niet verzet. Hiervan uitgaande heeft appellant zich terecht op het standpunt gesteld dat onverschuldigd ZW-uitkering aan betrokkene is betaald.

4.3.

Op grond van artikel 33 van de ZW wordt het ziekengeld dat onverschuldigd is betaald teruggevorderd, tenzij daarvan geheel of gedeeltelijk wordt afgezien indien daarvoor dringende redenen zijn. In dit geval is van zodanige dringende redenen niet gebleken. De Raad is allereerst van oordeel dat appellant in het bestreden besluit overtuigend heeft gemotiveerd dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij ten onrechte na
18 augustus 2010 ZW-uitkering is blijven ontvangen. Volgens het rapport van de arbeidsdeskundige van 18 augustus 2010 is met betrokkene besproken dat hij hersteld was en is hij verwezen naar het UWV Werkbedrijf om WW aan te vragen. Betrokkene heeft dat ook kort daarna gedaan en aan hem is naar aanleiding van zijn aanvraag ook met ingang van
19 augustus 2010 WW-uitkering verstrekt. Dat appellant daarna ZW-uitkering is blijven verstrekken en op 18 augustus 2011 nog een onjuiste brief heeft gezonden over de beëindiging van de ZW-uitkering kan aan dit oordeel niet afdoen. Met betrekking tot de vraag of in dit geval sprake is van dringende redenen die aan terugvordering in de weg staan, merkt de Raad op dat volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld LJN BG8900) het daarbij dient te gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Van zodanig geval is hier niet gebleken.

4.4.

Gelet op hetgeen in 4.2 en 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep en kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 8 maart 2012 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013.

(getekend) Ch. Van Voorst

(getekend) S. Aaliouli

RH