Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2495

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
21-11-2013
Zaaknummer
13-404 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering blijvend geheel geweigerd. Verwijtbaar werkloos. Disciplinaire straf van ongevraagd ontslag. Zeer ernstig plichtsverzuim doordat betrokkene de gegeven voorschriften niet heeft opgevolgd, zich intimiderend heeft opgesteld tegenover een klant, zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering en in eerste instantie geen openheid van zaken heeft gegeven. Aan de werkloosheid van betrokkene een dringende reden ten grondslag lag in de zin van artikel 7:678 BW. Niet gezegd kan worden dat betrokkene het niet nakomen van de verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen niet in overwegende mate kan worden verweten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/404 WW

Datum uitspraak: 20 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

20 december 2012, 12/2450 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zwagerman. Het Uwv, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. I. Rhodes, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was laatstelijk werkzaam als chauffeur/belader bij de sector Stadsdeelwerken van het stadsdeel Zuid. Betrokkene heeft op 6 januari 2010 grofvuil opgehaald bij

mevrouw B (klaagster). Deze heeft zich op 7 januari 2010 telefonisch beklaagd over betrokkenes gedrag op 6 januari 2010. Na onderzoek en na advies te hebben ingewonnen bij het Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam heeft appellant betrokkene bij besluit van 24 maart 2010 met toepassing van artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder f, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd. Het ontslag is met de uitspraak van de Raad van 26 januari 2012, LJN BV2534, in rechte onaantastbaar geworden.

1.2. Betrokkene heeft bij het Uwv een aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend. Bij besluit van 29 april 2010 heeft het Uwv die uitkering blijvend geheel geweigerd op de grond dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden en had kunnen weten dat zijn gedrag een dringende reden voor ontslag was. Bij besluit van

2 april 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 29 april 2010 gegrond verklaard en heeft hij betrokkene een WW-uitkering toegekend met ingang van 25 maart 2010. Het Uwv meende bij nader inzien dat van appellant weliswaar niet redelijkerwijs kon worden gevergd om de arbeidsverhouding met betrokkene te laten voortduren, maar dat aan diens ontslag geen arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag heeft gelegen, omdat appellant niet onverwijld actie heeft ondernomen om te komen tot een beëindiging van de aanstelling van betrokkene.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de werkloosheid van appellant geen dringende reden ten grondslag lag. Volgens de rechtbank heeft appellant op meerdere momenten, welke hierna onder 4.3. nader worden genoemd, niet met de nodige onverwijldheid gehandeld om tot een beëindiging van de aanstelling van betrokkene te komen en kan daarom niet worden gezegd dat de gedragingen van betrokkene voor appellant een dringende reden voor ontslag vormden.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep de gang van zaken vanaf de ontvangst van de klacht tot het ontslagbesluit toegelicht. Hij heeft erkend dat op enkele momenten iets sneller gehandeld had kunnen worden dan is gedaan en heeft daarvoor een verklaring gegeven. Appellant meent dat niet gesteld kan worden dat hij onvoldoende voortvarend heeft gehandeld om te komen tot een beëindiging van de aanstelling van betrokkene en van een dringende reden geen sprake is geweest.

3.2.

Het Uwv heeft zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt gehandhaafd en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft er daarnaast nog op gewezen dat ook tussen de ontvangst van de klacht op 7 januari 2010 en het gesprek met de klaagster op 17 januari 2010 teveel tijd is verstreken. Het Uwv acht bovendien de reorganisatie die bij het stadsdeel speelde geen valide argument voor de vertraging in de besluitvorming bij appellant.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader verwijst de Raad naar de overwegingen 2.1 en 2.2 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd artikel 27, eerste lid, van de WW, waarin is bepaald dat het Uwv ter zake van het niet nakomen door de werknemer van de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, de uitkering blijvend geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.2.

Appellant heeft betrokkene verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim doordat hij de gegeven voorschriften niet heeft opgevolgd, zich intimiderend heeft opgesteld tegenover een klant, zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering en in eerste instantie geen openheid van zaken heeft gegeven. Betrokkene heeft de hem verweten gedragingen in hoger beroep niet betwist. In geschil is of de aan het ontslag ten grondslag gelegde reden voor appellant in de gegeven situatie een dringende reden vormde. In dit verband zijn de volgende feiten van belang.

4.2.1.

Op de routelijst grofvuil van 6 januari 2010 stond dat bij de klaagster ± 2 kubieke meter bouw- en sloopafval opgehaald moest worden en dat betaald moest worden met een pinpas. Betrokkene heeft het afval op de afgesproken dag opgehaald. Volgens de klacht die op

7 januari 2010 telefonisch is ingediend zou klaagster op zeer intimiderende wijze contant

€ 55,- hebben moeten betalen aan betrokkene en heeft zij geen bon of ontvangstbewijs ontvangen. De teamleider van betrokkene is, nadat hij op de hoogte was gesteld van de klacht, met een onderzoek gestart en heeft allereerst contact gezocht met klaagster. Klaagster is op

17 januari 2010 gehoord door twee teamleiders, waarbij zij haar eerdere verklaring heeft herhaald. Op 18 januari 2010 heeft de teamleider van betrokkene verklaard dat hij van betrokkene geen geld heeft ontvangen en dat hij geen toestemming heeft gegeven voor de beschreven handelwijze.

4.2.2.

Betrokkene is op 26 januari 2010 om 7.15 uur gehoord. Hij heeft toen verklaard dat hij het grofvuil niet zonder bon heeft weggehaald, maar dat klaagster het verschuldigde bedrag heeft voldaan door middel van een pinbetaling op het apparaat van de auto van een collega. Betrokkene heeft verklaard dat hij geen contant geld heeft aangenomen van klaagster. Onmiddellijk hierna is aan de administratief medewerkster gevraagd na te gaan of er op

6 januari 2010 bij de grofvuilinzamelingen pinbetalingen zijn gedaan met de beschikbare pinapparaten van het stadsdeel. Om 9.00 uur werd hierop ontkennend geantwoord.

4.2.3.

Appellant heeft betrokkene zoals voorgeschreven in artikel 13.5 van de NRGA bij brief van 2 februari 2010 uitgenodigd voor een verantwoordingsgesprek met het afdelingshoofd en de juridisch adviseur P&O op 11 februari 2010. Appellant heeft in die brief gesteld dat vooralsnog wordt aangenomen dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim en dat hij voornemens is betrokkene disciplinair te straffen. Betrokkene is erop gewezen dat hij zich kan laten bijstaan door een gemachtigde. Het gesprek is uitgesteld naar 16 februari 2010. Uit het hiervan op 27 februari 2010 opgemaakte verslag blijkt dat betrokkene toen heeft verklaard dat hij geld heeft aangenomen van klaagster, bij het pinapparaat heeft gestopt en ’s middags mee naar huis heeft genomen. Volgens betrokkene wilde klaagster zelf zonder bon betalen. Betrokkene is naar huis gestuurd en bij brief van

17 februari 2010 in afwachting van verdere besluitvorming met ingang van 16 februari 2010 met toepassing van artikel 13.2, eerste lid, van de NRGA geschorst met behoud van bezoldiging. Betrokkene is medegedeeld dat hij in de loop van de volgende week het definitieve besluit inzake een disciplinaire maatregel zou ontvangen en dat ontslag niet was uitgesloten.

4.2.4.

Na intern overleg heeft appellant besloten betrokkene strafontslag te verlenen. Hierover is advies gevraagd aan het Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam, als voorgeschreven in de toelichting bij artikel 13.6 van de NRGA. Daartoe is het dossier naar het Bureau Integriteit gestuurd. Het dossier werd geretourneerd omdat het verslag van het verantwoordingsgesprek niet door betrokkene was ondertekend. Het dossier is op

16 maart 2010 opnieuw verzonden naar het Bureau Integriteit. Achter de naam van betrokkene is de aantekening “weigerd te tekenen” geplaatst. In de tussentijd had betrokkene zijn visie op de gebeurtenissen in brieven, gedateerd 12 maart 2010, kenbaar gemaakt. Die brieven zijn aan het dossier toegevoegd. Op 18 maart 2010 heeft het Bureau Integriteit positief geadviseerd, waarna op 24 maart 2010 het ontslagbesluit is genomen.

4.3.

De rechtbank heeft met name het tijdsverloop tussen de ontvangst van de klacht op

7 januari 2010 en het verantwoordingsgesprek met betrokkene op 16 februari 2010 en de periode tussen 17 februari 2010 en 16 maart 2010 te lang bevonden. Uit het feit dat betrokkene niet al op 26 januari 2010 is geschorst en dat het verslag van het op 16 februari 2010 gehouden verantwoordingsgesprek eerst op 9 maart 2010 is ondertekend door de afdelingsmanager, heeft de rechtbank afgeleid dat appellant niet voortvarend heeft gehandeld.

4.4.1.

Ter toelichting van het tijdsverloop in de periode van 7 januari 2010 tot en met

16 februari 2010 heeft appellant naar voren gebracht dat het bij klachten als waarvan hier sprake is vaste praktijk is om enig onderzoek te doen voordat de betrokkene met de klacht wordt geconfronteerd, dat het horen van klaagster niet eerder dan op 17 januari 2010 kon plaatsvinden, omdat het pas op 16 januari 2010 was gelukt om contact met haar te krijgen, en dat er op 26 januari 2010 bewust voor is gekozen om betrokkene niet onmiddellijk te schorsen, maar hem eerst te confronteren met de bevindingen van het onderzoek en hem de gelegenheid te geven zich, desgewenst met bijstand van een raadsman, te verantwoorden. Dat het verantwoordingsgesprek op verzoek van het afdelingshoofd is uitgesteld had te maken met drukke werkzaamheden in verband met een toentertijd bij appellant aan de orde zijnde omvangrijke reorganisatie.

4.4.2.

Over de periode van 17 februari 2010 tot en met 16 maart 2010 heeft appellant naar voren gebracht dat op grond van de NRGA over het voorgenomen strafontslag advies moest worden ingewonnen van het Bureau Integriteit. Dat bureau heeft het dossier teruggestuurd naar appellant om betrokkene het verslag van het verantwoordingsgesprek te laten ondertekenen, wat niet is gelukt, waarna het dossier uiteindelijk op 16 maart 2010 verder in behandeling is genomen. Daarna heeft snelle advisering en besluitvorming plaatsgevonden.

4.4.3.

Conclusie uit het vorenstaande is dat appellant op enkele momenten sneller had kunnen handelen dan hij heeft gedaan. Uit de toelichting van appellant als weergegeven in 3.4.1 en 3.4.2 blijkt echter wel dat appellant vrijwel steeds op zo kort mogelijke termijn stappen heeft ondernomen en op geen enkel moment de indruk heeft laten ontstaan dat hij het gedrag van betrokkene niet hoog opnam, dan wel dat het voor hem geen dringende reden vormde om tot ontslag over te gaan. Hoewel getwijfeld kan worden aan de noodzaak om het verantwoordingsgesprek uit te stellen, is daarin, nu het om een eenmalig kort uitstel ging dat verband hield met de bijzondere omstandigheden op dat moment, onvoldoende grond gelegen om te oordelen dat appellant niet met de nodige onverwijldheid heeft gehandeld om tot een beëindiging van de aanstelling van betrokkene te komen.

5.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat aan de werkloosheid van betrokkene een dringende reden ten grondslag lag in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek. Omdat niet gezegd kan worden dat betrokkene het niet nakomen van de verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen niet in overwegende mate kan worden verweten had het Uwv de WW-uitkering blijvend geheel moeten weigeren. Omdat de rechtbank tot een ander oordeel is gekomen, kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van appellant gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad kan zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 2 april 2013 ongegrond te verklaren.

6.

Het Uwv zal worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden begroot op € 944,- aan kosten van rechtsbijstand van betrokkene. Appellant heeft geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 2 april 2012;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen het besluit van 2 april 2013 ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 2 april 2012;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 944,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 157,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rotttier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) K.E. Haan

RH