Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2489

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
11-6897 WIJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand omdat appellant, zonder daarvan aan het college melding te maken, hoofdverblijf heeft gehad buiten de gemeente ’s-Hertogenbosch. Autohandel. Beoordeling meerdere periodes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6897 WIJ

Datum uitspraak: 19 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

7 november 2011, 11/1183 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2013. Voor appellant is verschenen mr. J. Visscher, kantoorgenoot van mr. Van Doleweerd. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. Jacobs.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en zijn partner [naam partner] (partner van appellant) hebben samen twee kinderen die in 2006 en 2007 zijn geboren. Zij staan sinds 17 december 2008 bij de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente ’s-Hertogenbosch ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats]. De partner van appellant is niet in het bezit van een verblijfsvergunning. Appellant ontving van 4 januari 2008 tot 19 maart 2008 en van 1 oktober 2008 tot en met 30 juni 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en vanaf 1 juli 2010 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van een op basis van informatie van het inlichtingenbureau en van de Sociale Recherche Flevoland (SRF) bij het college gerezen vermoeden dat appellant geen hoofdverblijf heeft in de gemeente ’s-Hertogenbosch en zich bezighoudt met kleinschalige autohandel heeft het team Handhaving van de Afdeling Arbeidsmarkt en Sociale Zaken van ’s-Hertogenbosch (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onder meer informatie ingewonnen bij de Dienst Wegverkeer (RDW), is gebruik gemaakt van de resultaten van een door de SRF onder meer jegens [K.] (K) ingesteld onderzoek en is appellant verhoord. De bevindingen van het door de sociale recherche verrichte onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

28 oktober 2010.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 9 december 2010 de bijstand over de maand december 2008 en de bijstand en de inkomensvoorziening over de periode van 1 juni 2009 tot en met 30 september 2010 in te trekken en de over die maand en die periode gemaakte kosten van bijstand en inkomensvoorziening tot een bedrag van € 18.551,57 van appellant terug te vorderen.

1.4.

Bij besluit van 27 december 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 december 2010 ongegrond verklaard. De handhaving van de intrekking van de bijstand en de inkomensvoorziening over de periode van 1 juni 2009 tot en met

7 september 2010 berust op de overweging dat appellant, zonder daarvan aan het college melding te maken, hoofdverblijf heeft gehad buiten de gemeente ’s-Hertogenbosch. Aan de handhaving van de intrekking van de bijstand over december 2008 en de handhaving van de intrekking van de inkomensvoorziening over de periode van 8 tot en met 30 september 2010 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet aan het college te melden dat hij in auto’s handelt en dat als gevolg van die schending het recht op bijstand en inkomensvoorziening niet kan worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft de intrekking bestreden. Hij heeft tegen de terugvordering geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking over de periode van 1 juni 2009 tot en met 7 september 2010

4.1.

In artikel 40, derde lid, van de WWB en artikel 24, derde lid, in verbinding met artikel 13, tweede lid, van de WIJ is bepaald dat het recht op bijstand respectievelijk het recht op inkomensvoorziening bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende respectievelijk de jongere woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en

11

van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand woonplaats heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of appellant woonplaats had buiten ’s-Hertogenbosch.

4.3.

Het rapport van 28 oktober 2010, bezien in samenhang met de resultaten van het onderzoek door de SFR, bieden voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant van

1 juni 2009 tot en met 7 september 2010 geen woonplaats had in de gemeente

’s-Hertogenbosch. Van belang zijn met name de inhoud van de verklaringen die K en een drietal buurtbewoners in de omgeving van het adres[adres 2] te [plaatsnaam] ([adres 2]) tegenover sociaal rechercheurs hebben afgelegd. K heeft verklaard dat appellant en de partner van appellant sinds een jaar bij haar in de woning op de [adres 2] wonen. De buurtbewoners hebben verklaard dat op dat adres een man, een vrouw en twee kinderen van zigeunerafkomst wonen, volgens een van die getuigen al voor de zomer van 2009, volgens een ander sinds de zomer van 2009. Twee van de getuigen hebben daarbij tevens de namen van de kinderen van appellant genoemd. Tevens hebben de getuigen verklaard dat het gezin gebruik maakt van een [merk auto], kenteken [nummer], welke auto ten tijde van de verklaringen op naam stond van appellant. Appellant heeft zelf op 28 september 2010 verklaard al vijf maanden in die auto te rijden. Van belang is verder de inhoud van het proces-verbaal van de bevindingen van

7 september 2010. Daarin is vermeld dat twee sociaal rechercheurs op de [adres 2] een vrouw met de naam [N.] hebben aangetroffen die hen vertelde dat zij sinds zestien maanden in [plaatsnaam] woont en daarvoor in [naam gemeente].

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat de vrouw met de naam [N.] die de sociale recherche op de [adres 2] heeft aangetroffen niet de partner van appellant is, zodat haar verklaring geen betekenis heeft voor het antwoord op de vraag of appellant buiten ’s-Hertogenbosch woonplaats had. Deze beroepsgrond slaagt niet. In aanmerking genomen dat de vrouw met de naam [N.] heeft verklaard dat K haar tante is en dat K heeft verklaard dat de partner van appellant een dochter is van haar broer, bestaan voldoende aanwijzingen dat de vrouw met naam [N.] de partner van appellant is.

4.5.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de bevindingen van de door de SRF uitgevoerde observaties in de periode van 22 december 2009 tot 22 maart 2010, waaruit naar voren komt dat de auto van appellant 31 maal is gezien in de omgeving van de [adres 2] van geen betekenis zijn voor de beantwoording van de vraag of appellant woonplaats had buiten ’s-Hertogenbosch, omdat - op een enkele uitzondering na - niet is vermeld op welke data en welke tijdstippen de betreffende observaties zijn gedaan. Deze beroepsgrond behoeft geen bespreking omdat, ook indien de bevindingen van de observaties buiten beschouwing blijven, voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellant ten tijde hier van belang woonplaats had buiten ’s-Hertogenbosch.

4.6.

Appellant heeft daarnaast aangevoerd dat, gelet op de verklaring van K, niet kan worden aangenomen dat appellant al vanaf 1 juni 2009 buiten ’s-Hertogenbosch woonplaats had.

K verklaart immers op 7 september 2010 dat appellant en de partner van appellant pas sinds een jaar bij haar in de woning op de [adres 2] wonen. Deze beroepsgrond treft geen doel. Het college heeft bij de beantwoording van de vraag vanaf welk moment appellant en zijn gezin buiten ’s-Hertogenbosch woonden als uitgangspunt genomen wat de partner van appellant op 7 september 2010 aan twee sociaal rechercheurs heeft verteld, namelijk dat zij sinds zestien maanden in [plaatsnaam] woont. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van twee buurtbewoners dat al voor de zomer van 2009 respectievelijk sinds de zomer van 2009 een man, een vrouw en twee kinderen van zigeunerafkomst op de [adres 2] wonen. Aan die verklaringen mocht het college een zwaarder gewicht toekennen dan aan de enkele verklaring van K.

4.7.

Appellant heeft ook nog aangevoerd dat het college met twee maten meet, omdat appellant in het kader van de huisvesting met het college de afspraak heeft gemaakt om in

’s-Hertogenbosch te wonen en in dat traject het college heeft geoordeeld dat appellant niet buiten ’s-Hertogenbosch heeft gewoond. Deze beroepsgrond treft geen doel, reeds omdat appellant zijn stellingen met betrekking tot het huisvestingstraject op geen enkele wijze heeft onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens.

De intrekking over december 2008 en over de periode van 8 tot en met 30 september 2010

4.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de periode van 1 december 2008 tot en met

30 september 2010 veertien kentekens van auto’s op naam van appellant hebben gestaan. De tenaamstellingen zijn vaak van korte duur geweest. Volgens vaste rechtspraak

(CRvB 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306) heeft het college, gelet op die gegevens aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot die voertuigen transacties hebben plaatsgevonden. De datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellant staat, is de datum waarop de transacties hebben plaatsgevonden.

4.9.

Vaststaat dat in december 2008 de kentekens van drie auto’s en in september 2010 de kentekens van twee auto’s niet langer op naam van appellant stonden, zodat op grond van wat onder 4.8 is overwogen het college aannemelijk heeft gemaakt dat in die maanden transacties hebben plaatsgevonden. Van deze transacties heeft appellant in strijd met de op hem op grond van artikel 17, eerste lid van de WWB en artikel 44, eerste lid, van de WIJ op hem rustende inlichtingenverplichting geen melding gemaakt bij het college. Omdat controleerbare gegevens over de transacties in deze maanden, waaronder begrepen gegevens over de daaruit ontvangen inkomsten ontbreken, kan als gevolg van die schending het recht op bijstand over de maand december 2008 en het recht op inkomensvoorziening over de periode van 8 tot en met 30 september 2010 niet worden vastgesteld.

4.10.

Appellant heeft aangevoerd dat een van de auto’s waarvan het kenteken in december 2008 niet langer op zijn naam stond een vijftien jaar oude sloopauto betrof die gedurende zes maanden op naam van appellant heeft gestaan en vervolgens naar de sloperij is gebracht. De twee andere auto’s waarvan het kenteken in december 2008 niet langer op naam van appellant stond hebben slechts enkele dagen op naam van appellant gestaan en zijn overgeschreven op naam van een schoonzus van appellant. Ook een van de auto’s waarvan het kenteken in september 2010 niet langer op naam van appellant stond, is overgeschreven op naam van een familielid van appellant. In dat verband heeft appellant erop gewezen dat zijn familie een geheel eigen cultuur heeft waarin men in alle opzichten lief en leed met elkaar deelt en dat het met het oog daarop geenszins ongebruikelijk is dat voertuigen op andermans naam staan en andersom. Deze beroepsgrond treft geen doel. De omstandigheid dat het gaat om een oude auto die naar de sloperij is gebracht betekent niet dat de betreffende transactie niets heeft opgeleverd. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 5 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010: BK9786. Voorts heeft appellant, met name gelet op het grote aantal transacties in de periode van 1 december 2008 tot en met 30 september 2010, niet aannemelijk gemaakt dat de transacties met leden van zijn familie hem niets hebben opgeleverd.

Conclusie

4.11.

De conclusie is dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A Kooijman als voorzitter en Y.J. Klik en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2013.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) O.P.L. Hovens

HD