Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2487

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
13-1139 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Toekenning bijstand en verlaging bijstand voor één maand met 100% wegens schending inlichtingenverplichting. Hoofdverblijf. Wederzijdse zorg. Informed consent huisbezoek. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1139 WWB, 13/1140 WWB, 13/1141 WWB, 13/1142 WWB

Datum uitspraak: 19 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van

7 februari 2013, 12/257 (aangevallen uitspraak 1) en van 7 februari 2013, 12/1692 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellante] (appellante) en[Appellant] (appellant) beiden te[woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R.S. Wijling, advocaat, hoger beroepen ingesteld tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2013. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Wijling. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Andel.

Ter zitting van de Raad heeft mr. Wijling het hoger beroep van appellant gericht tegen aangevallen uitspraak 1 ingetrokken.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 1 maart 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een anonieme tip van 26 mei 2011 dat zij sinds acht jaar samenwoont met [Appellant], is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende uitkering. Hieruit is naar voren gekomen dat het adres van appellante in Suwinet staat vermeld als het feitelijk adres van [Appellant]. Op 13 juli 2011 hebben en sociaal rechercheur en een controleur werkzaam bij dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (SoZaWe) een huisbezoek afgelegd op het adres van appellante. Appellante heeft op 15 juli 2011 een verklaring afgelegd tegenover een sociaal rechercheur. Op 28 juli 2011 heeft [Appellant] een telefonische verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 18 juli 2011 en van 28 juli 2011.



1.2. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluiten van

4 augustus 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 december 2011, de bijstand van appellante met ingang van 1 augustus 2011 in te trekken, over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 juli 2011 te herzien (in te trekken) en de kosten van bijstand over deze periode van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 24.568,40. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante en [Appellant] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, waardoor appellante geen recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.3.

Bij besluit van 21 december 2011 heeft het college aan appellanten met ingang van

12 oktober 2011 bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden. Hierbij heeft het college de bijstand van appellanten met toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Verordening afstemming en handhaving WWB 2009 van de gemeente Rotterdam (Verordening) met ingang van 12 oktober 2011 verlaagd met 100 procent gedurende één maand. Bij besluit van 4 april 2012 heeft het college het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 21 december 2011, voor zover daarbij de verlaging van de bijstand is gehandhaafd, ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de inlichtingenverplichting is geschonden wat heeft geleid tot het onder 1.2 vermelde benadelingbedrag.



2.1. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante op volledige en juiste wijze is geïnformeerd over de mogelijke gevolgen van weigering van het huisbezoek. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat in de periode in geding sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf in de woning van appellante en van wederzijdse zorg. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien tot matiging van het teruggevorderde bedrag op de grond dat bijstand naar de norm voor gehuwden had moeten worden verstrekt, omdat [Appellant] destijds geen inkomsten had. Gegevens waarmee inzicht in de financiële situatie van [Appellant] wordt verstrekt zijn niet overgelegd.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat appellanten hun beroepsgronden over de onverbindendheid van de Verordening hebben ingetrokken, zodat deze geen bespreking behoeven. In de door appellanten aangevoerde financiële problemen ziet de rechtbank geen dringende redenen waarom het college had moeten afzien van het opleggen van de maatregel.

3.

Appellante heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak 1 gekeerd. Appellanten zijn op hierna te bespreken gronden in hoger beroep opgekomen tegen de aangevallen uitspraak 2.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraken 1 en 2 (horen in bezwaar)

4.1.

Appellante onderscheidenlijk appellanten hebben onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5700, aangevoerd dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 7:13, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe) niet uit te nodigen voor de hoorzittingen inzake de bestreden besluiten 1 en 2.

4.2.

Ter zitting bij de Raad heeft het college erkend dat bij de bestreden besluiten 1 en 2 dezelfde werkwijze is gevolgd als in de zaak die heeft geleid tot de onder 4.1 genoemde uitspraak van 26 maart 2013. Dit betekent dat ook in het geval van de bestreden besluiten 1 en 2 voor het college uit efficiency-overwegingen uitgangspunt is geweest dat SoZaWe afziet van het bijwonen van de hoorzitting. Zoals in de genoemde uitspraak is overwogen is met artikel 7:13, vijfde lid, van de Awb en het daaraan mede ten grondslag liggende beginsel van hoor en wederhoor niet verenigbaar dat het bestuursorgaan niet voor de hoorzitting wordt uitgenodigd. De rechtbank heeft dat in de aangevallen uitspraken 1 en 2 niet onderkend. Deze komen daarom voor vernietiging in aanmerking. De beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 moeten gegrond worden verklaard en de bestreden besluiten moeten worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:13, vijfde lid, van de Awb. Zowel ter zitting bij de rechtbank als ter zitting bij de Raad is een vertegenwoordiger van het college aanwezig geweest, waardoor een uitwisseling van standpunten heeft kunnen plaatsvinden. De Raad zal daarom beoordelen of de rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden besluiten 1 en 2 in stand kunnen blijven.

Intrekking en terugvordering (bestreden besluit 1)

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat er geen redelijke grond voor het huisbezoek op 13 juli 2011 was en dat ook het ‘informed consent’ bij het binnentreden in haar woning ontbrak. De bevindingen van het huisbezoek moeten daarom buiten beschouwing blijven. Appellante heeft bestreden dat [Appellant] hoofdverblijf had in haar woning. Ook van wederzijdse zorg was geen sprake. Appellante stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat [Appellant] na februari 2010 geen inkomsten meer heeft gehad voor het college reden had moeten zijn om de terugvordering te matigen. Ook de financiële problemen van het gezin en de omstandigheid dat het gezin heeft moeten leven van een uitkering naar de norm voor een alleenstaande hadden tot matiging moeten leiden. Ten slotte heeft appellante verzocht het college te veroordelen tot het vergoeden van schade.

4.4.1.

Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

4.4.2.

Een anonieme tip over de woon- en leefsituatie van een persoon die bijstand aanvraagt of ontvangt, vormt als zodanig geen redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. Een dergelijke tip kan, mits deze relevant, concreet en voldoende onderbouwd is, wel aanleiding geven voor het instellen van een nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. In dat kader dient het college eerst te bezien of gebruik kan worden gemaakt van voor betrokkene minder ingrijpende onderzoeksmiddelen dan een huisbezoek. Indien en zodra concrete objectieve feiten en omstandigheden blijken, die twijfel doen rijzen over de juistheid van de eerder over de woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, ontstaat er een redelijke grond voor een huisbezoek.

4.4.3.

De tip van 26 mei 2011 voldoet aan de onder 4.4.2 omschreven eisen en heeft het college aanleiding kunnen geven tot het doen van nader onderzoek. Uit het raadplegen van Suwinet is naar voren gekomen dat het adres van appellante in de adresgegevens van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen staat vermeld als het feitelijk adres van [Appellant]. Hierbij komt nog dat [Appellant] op 13 juli 2011 aanwezig was in de woning van appellante. Uit het verslag van het huisbezoek komt naar voren dat appellante, nadat haar bij de voordeur was uitgelegd wat de reden was voor het huisbezoek, heeft verteld dat ook haar vriend aanwezig was in haar woning. Op basis van deze gegevens beschikte het college over een redelijke grond om een huisbezoek aan het uitkeringsadres af te leggen.

4.4.4.

Een ‘informed consent’ bij het binnentreden in de woning is aan de orde indien de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de (verdere) verlening van bijstand heeft. Is, zoals in dit geval, sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek, dan dient de belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. De bewijslast ten aanzien van het ‘informed consent’ bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan.

4.4.5.

Het college heeft aannemelijk gemaakt dat sprake is van een ‘informed consent’ in de onder 4.4.4 bedoelde zin. Het verslag van het huisbezoek vermeldt dat de sociaal rechercheur aan appellante de reden van het huisbezoek heeft uitgelegd. Nadat appellante de aanwezigheid in de woning van [Appellant] had kenbaar gemaakt, heeft de sociaal rechercheur blijkens het verslag toegevoegd dat de weigering om mee te werken aan het huisbezoek gevolgen kon hebben voor de uitkering. Vervolgens heeft appellante toestemming gegeven. Appellante heeft voorts het formulier huisbezoek ondertekend. Niet aannemelijk is geworden dat het onderzoek in de woning heeft plaatsgevonden voordat appellante daartoe toestemming had gegeven.

4.5.1.

Artikel 3, derde lid, van de WWB bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.5.2.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. In de hier te beoordelen periode, die loopt vanaf

1 januari 2010 tot en met 4 augustus 2011, was [Appellant] in gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op een ander adres dan appellante. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft echter niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt, dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.5.3.

De Raad is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat [Appellant] ten tijde in geding feitelijk zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Appellante heeft op 15 juli 2011 verklaard dat [Appellant] sinds ongeveer anderhalf jaar vier tot vijf dagen in de week bij haar verblijft. Deze verklaring vindt steun in de telefonische verklaring van [Appellant] van 28 juli 2011 dat hij de laatste anderhalf jaar inderdaad samen was met appellante en vijf tot zes dagen per week bleef slapen en in de omstandigheid dat [Appellant] volgens de informatie uit Suwinet feitelijk bij appellante verblijft. Voorts zijn bij het huisbezoek op 13 juli 2011 persoonlijke spullen, waaronder kleding, schoenen en toiletartikelen, van [Appellant] aangetroffen in de woning van appellante en was hij bij dit huisbezoek aanwezig in de woning.

4.5.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012: BV2512) mag in het algemeen van de juiste weergave van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat er aanleiding is om af te wijken van deze vaste rechtspraak. Het verslag van het verhoor van appellante is door sociaal rechercheur

[D.], controleur[L.] en appellante zelf ondertekend. Concrete aanknopingspunten op grond waarvan zou moeten worden betwijfeld dat [D.] sociaal rechercheur is heeft appellante niet naar voren gebracht. Ook heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij haar verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd of dat die verklaring onjuist is weergegeven of om andere redenen buiten beschouwing moet blijven.

4.6.1.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.6.2.

De beschikbare gegevens bieden eveneens een toereikende grondslag voor de conclusie dat voldaan is aan het criterium van wederzijdse zorg. Zo heeft appellante tijdens haar verhoor verklaard dat zij en [Appellant] om en om boodschappen doen, dat [Appellant] haar kinderen als de zijne ziet en dat hij wel eens een kleinigheidje voor hen koopt en dat hij bij hen blijft als appellante weg is. Voorts heeft appellante verklaard dat [Appellant] en zij elkaar verzorgen bij ziekte; zij brengen elkaar een kopje thee of iets dergelijks.



4.7.1. Nu aan beide criteria van artikel 3, derde lid, van de WWB is voldaan, dienen appellante en [Appellant] op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB als gehuwden te worden aangemerkt. Dit betekent dat appellante gedurende de hier te beoordelen periode niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.



4.7.2. Appellante heeft niet aan het college meegedeeld dat zij gedurende de periode in geding een gezamenlijke huishouding met [Appellant] heeft gevoerd, zodat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Nu als gevolg van die schending aan appellante ten onrechte als zelfstandig rechtssubject bijstand is verleend, was het college op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 juli 2011 en met ingang van 1 augustus 2011 in te trekken. Appellante heeft de wijze waarop het college van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

4.7.3.

Tevens is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering zodat het college bevoegd was de in de onder 4.7.2 vermelde periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of het college in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid door de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van € 24.568,40 volledig van appellante terug te vorderen.

4.7.4.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 12 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8094, is het college, nu vaststaat dat appellante te kort is geschoten in haar wettelijke verplichting tot het geven van juiste en volledige inlichtingen, in beginsel bevoegd de over de betrokken periode gemaakte kosten van bijstand volledig terug te vorderen. Het is dan aan appellante om aannemelijk te maken dat, ook als zij haar verplichting tot het geven van inlichtingen wel naar behoren zou zijn nagekomen, volledige, althans aanvullende bijstand naar de norm voor gehuwden over die periode zou zijn verstrekt.

4.7.5.

Appellante is hierin niet geslaagd, reeds omdat zij de financiële situatie van [Appellant] niet concreet en op verifieerbare wijze, bijvoorbeeld mede aan de hand van zijn bankafschriften, uiteen heeft gezet.

4.7.6.

Het college voert het beleid dat van terugvordering wordt afgezien indien daarvoor dringende redenen bestaan. Bij de beoordeling of sprake is van dringende redenen worden alle relevante factoren meegewogen, zoals de oorzaak van de schuld, de mate van verwijtbaarheid, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, verzachtende omstandigheden en overige stappen die de klant heeft gezet om schoon schip te maken.

4.7.7.

In wat appellante heeft aangevoerd over de financiële omstandigheden van het gezin ligt geen dringende reden besloten op grond waarvan het college had moeten afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering. Appellante heeft enkel in algemene termen verwezen naar de gezinssituatie en de ontstane financiële problemen omdat zij [Appellant] ook heeft onderhouden, terwijl zij een uitkering ontving naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante heeft lange tijd samengewoond zonder dit aan het college op te geven. Verzachtende omstandigheden heeft zij niet aangedragen. Van onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen is niet gebleken. Evenmin leidt wat appellante heeft aangevoerd tot het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van dit beleid had moeten afwijken.

Maatregel (bestreden besluit 2)

4.8.

Appellanten hebben aangevoerd dat de Verordening afstemming en handhaving WWB Rotterdam 2009 (Verordening) niet verbindend is. Appellanten stellen zich voorts op het standpunt dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Voorts is de maatregel op grond van dringende redenen onaanvaardbaar, omdat door de maatregel grote schulden zijn ontstaan, terwijl het college in verband met een energieschuld bijzondere bijstand had verleend. Ten slotte hebben appellanten verzocht het college te veroordelen tot het vergoeden van schade.

4.9.

Het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank vermeldt dat appellanten de gronden tegen de onverbindendheid van de Verordening intrekken. Dit kan niet anders worden verstaan dan het expliciet prijsgeven van het standpunt dat de Verordening verbindende kracht mist. De enkele tegenwerping van de gemachtigde dat het proces-verbaal op dit punt niet een juiste weergave is van hetgeen hij toen heeft gezegd, is onvoldoende om niet uit te gaan van de duidelijke bewoordingen van het proces-verbaal. Zoals de Raad ook heeft overwogen in zijn uitspraak van 5 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AU9486, staat het een partij weliswaar in beginsel vrij in hoger beroep nieuwe beroepsgronden aan te voeren, maar dat geldt niet ten aanzien van beroepsgronden die in een eerdere fase van de procedure welbewust niet aan de orde zijn gesteld dan wel zijn prijsgegeven.

4.10.

Gelet op 4.7.2 staat vast dat appellante met betrekking tot de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 juli 2011 de op haar rustende inlichtingen verplichting niet is nagekomen door het college niet tijdig en volledig in te lichten over het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant. Nu niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt was het college gehouden met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van appellanten overeenkomstig de Verordening te verlagen. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, gelezen in samenhang met artikel 6, tweede lid, aanhef en onder f, van de Verordening leidt een benadelingsbedrag van € 4.000,- of meer tot een verlaging van honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.

4.11.

Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de maatregel voor hen onaanvaardbare (financiële) gevolgen heeft gehad. Met betrekking tot de energieschuld wordt opgemerkt dat het college appellanten al voor het bestreden besluit 2, namelijk op 9 maart 2012, bijzondere bijstand heeft toegekend voor de achterstallige energiekosten tot een bedrag van € 988,11. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Verordening, zodat het college niet bevoegd was van de verlaging van de bijstand af te zien.

Hetgeen appellanten hebben aangevoerd vormt evenmin grond voor het oordeel dat de ernst van de feiten, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden voor appellanten het college aanleiding hadden moeten geven om de opgelegde maatregel op een lager percentage vast te stellen.

Slot

4.12.

Op grond van wat onder 4.3 tot en met 4.7.7 is overwogen en op grond van wat onder 4.8 tot en met 4.10 is overwogen bestaat aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden besluiten 1 en 2 in stand blijven.

4.13.

De verzoeken om het college te veroordelen tot vergoeding van schade komen, gelet op het voorgaande, niet voor toewijzing in aanmerking.

5.

In zaak 13/1142 WWB (intrekking en terugvordering) bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 944,- in beroep en op € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. In zaak 13/1139 WWB en

13/1140 WWB (maatregel) bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden begroot op € 944,- in beroep en op € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

in het geding 13/1142 WWB

- vernietigt aangevallen uitspraak 1;

- verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 13 december 2011 gegrond;

- vernietigt het besluit van 13 december 2011;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.888,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 159,- vergoedt;

in het geding 13/1139 WWB en 13/1140 WWB

- vernietigt aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep van appellanten tegen het besluit van 4 april 2012 gegrond;

- vernietigt het besluit van 4 april 2012;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.888,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en A.M. Overbeeke en

M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) A.C. Oomkens

Tegen deze uitspraak kunnen appellante en het college binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD