Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2486

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
12-3020 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstandsaanvraag. Het gaat te ver om voor de toepassing van de WWB zonder meer aan te nemen dat appellant in de periode enkel op grond van de machtiging met betrekking tot de bankrekening op naam van de VOF beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken over de tegoeden op de bankrekening en daarmee over in aanmerking te nemen middelen die aan bijstandsverlening aan hem in de weg stonden.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 11
Wet werk en bijstand 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/2532
JWWB 2014/6
USZ 2013/394
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3020 WWB

Datum uitspraak: 19 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 april 2012, 11/6596 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.E. Stam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Stam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

J. van der Wal en C.M. Valkering.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant exploiteerde sinds 2 april 2007 samen met anderen, onder wie[M.], in een vennootschap onder firma een taxibedrijf onder de naam [naam taxibedrijf]. Het bedrijf had een bankrekening op naam van [VOF]. Het taxibedrijf wordt vanaf 26 oktober 2009 geëxploiteerd in een eenmanszaak, met als eigenaar[M.]. Uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat de zes vennoten, onder wie appellant, uiterlijk op

26 oktober 2009 uit functie zijn getreden. Zij zijn echter tot 22 september 2011 gemachtigd gebleven met betrekking tot de bankrekening op naam van [VOF]. Deze bankrekening is op 22 september 2011 op naam van[M.] gezet.

1.2.

Appellant heeft op 18 april 2011 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.

1.3.

Bij besluit van 12 mei 2011 heeft het college de aanvraag afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 7 november 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 mei 2011 gegrond verklaard. Het college heeft dit besluit in die zin herroepen dat is bepaald dat appellant met ingang van 4 april 2011 recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% van de gehuwdennorm. Dit recht is met betrekking tot de periode van 4 april 2011 tot en met 21 september 2011 op nihil gesteld. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant, omdat hij in die periode gemachtigd was met betrekking tot de bankrekening van [VOF], beschikte over middelen die gelijk of hoger waren dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Met ingang van 22 september 2011 is bijstand naar de norm voor een alleenstaande en een toeslag van 20% van de gehuwdennorm toegekend en uitbetaald.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Aan dit oordeel ligt, samengevat, ten grondslag dat appellant in de periode van 4 april 2011 tot en met 21 september 2011 (mede)rekeninghouder was van een bankrekening op naam van [VOF]. Dit maakt voor de toepassing van de WWB dat hij de gelden op die rekening feitelijk kon aanwenden ter voorziening in zijn levensonderhoud. Appellant is er niet in geslaagd op basis van objectieve en verifieerbare gegevens het tegendeel aan te tonen.

3.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij formeel weliswaar gemachtigd was met betrekking tot de bankrekening op naam van

[VOF] en daarom geld kon opnemen van de bankrekening, maar dat niet heeft gedaan omdat het geld op de bankrekening niet van hem was, maar van[M.]. Het oordeel van de rechtbank dat hij daar desondanks over kon beschikken is volgens hem in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Bovendien kan een storting op de ondernemingsrekening niet worden aangemerkt als aan hem toe te rekenen middelen en komt de winst van de onderneming toe aan de eigenaar van de onderneming,[M.].

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De in dit geding te beoordelen periode loopt van 4 april 2011 tot en met 21 september 2011.

4.2.

In artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de WWB is bepaald dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Volgens vaste rechtspraak (CRvB

27 september 2011, LJN BT6097) moet, mede gelet op artikel 11 van de WWB, de term beschikken zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid van een betrokkene om de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

4.3.

Vaststaat dat appellant ten tijde in geding gemachtigd was met betrekking tot de op naam van [VOF] gestelde bankrekening en dat de tegoeden op die bankrekening de voor appellant geldende bijstandsnorm destijds overschreden. In geding is eerst de vraag aan de orde of appellant over de tegoeden op deze bankrekening kon beschikken als onder 4.2 bedoeld.

4.4.

Het college heeft ter zitting van de Raad aangevoerd dat er sprake is van een nauwe verwevenheid van appellant met[M.] en het bedrijf [naam taxibedrijf]. Zij zijn zakelijk en vriendschappelijk bij elkaar betrokken. Zij hebben [naam taxibedrijf] in 2007 samen opgericht. Appellant heeft daar gewerkt totdat hij in verband met een door hem veroorzaakt ongeval gedetineerd is geweest van juli 2010 tot april 2011. Tijdens de hoorzitting op 25 augustus 2011 heeft hij verklaard dat hij in 2010 een bedrag van € 5.500,- heeft geleend van [C.]. Hierop heeft hij niets afgelost. Tijdens een huisbezoek op 9 mei 2011 heeft appellant verklaard dat hij op 7 en 8 mei 2011 heeft gewerkt bij [C.] zonder dat hij daarvoor een vergoeding heeft gekregen. Met ingang van 15 oktober 2012 is appellant weer in dienst bij [C.]. Volgens het college is sprake van een geldstroom tussen appellant en de eigenaar van de eenmanszaak. Gelet hierop en nu ook geen zicht bestaat op de onderlinge verdeling van de gemachtigden op de bankrekening op naam van [VOF] houdt het college het er voor dat appellant over de tegoeden op deze bankrekening kon beschikken.

4.5.

De mede aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde vaste rechtspraak van de Raad, inhoudende dat het feit dat een bankrekening op naam van een aanvrager of ontvanger van bijstand een tegoed bevat de vooronderstelling rechtvaardigt dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken en dat het in een dergelijke situatie aan de betrokkene is om aan te tonen dat het tegendeel het geval is, is in dit geval niet rechtstreeks van toepassing. De in geding zijnde bankrekening stond immers niet op naam van appellant, maar op naam van [VOF], een vennootschap onder firma die, naar tussen partijen vast staat, ten tijde in geding niet meer bestond en waarvan appellant geen vennoot meer was. Voorts is niet gesteld of gebleken dat appellant in de te beoordelen periode transacties heeft verricht met betrekking tot deze bankrekening. Het gaat te ver om voor de toepassing van de WWB zonder meer aan te nemen dat appellant in deze periode enkel op grond van de machtiging met betrekking tot de bankrekening op naam van [VOF] beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken over de tegoeden op de bankrekening en daarmee over in aanmerking te nemen middelen die aan bijstandsverlening aan hem in de weg stonden (vergelijk CRvB 15 april 2008, LJN BD0546). Het voorgaande wordt niet anders indien rekening wordt gehouden met hetgeen het college ter zitting heeft aangevoerd, zoals weergegeven in 4.4, omdat daarin geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het standpunt van het college dat appellant over de tegoeden op de bankrekening van [VOF] kon beschikken. De genoemde geldlening en het moment waarop appellant bij [naam taxibedrijf] in dienst is getreden vallen buiten de hier te beoordelen periode. De omstandigheid dat appellant op 7 en 8 mei 2011 bij [naam taxibedrijf] heeft gewerkt, zonder daarvoor een vergoeding te krijgen, maakt niet dat hij toen ook over de tegoeden op de in geding zijnde bankrekening kon beschikken.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat de onder 4.3 vermelde vraag ontkennend moet worden beantwoord en dat het hoger beroep slaagt. De overige door appellant aangevoerde beroepsgronden hoeven daarom verder niet besproken te worden.

4.7.

Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij het recht op bijstand in de periode van 4 april 2011 tot en met 21 september 2011 op nihil is gesteld.

4.8.

De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat over voormelde periode de bijstand en de toeslag betaalbaar worden gesteld. Daartoe wordt het volgende overwogen. In het bestreden besluit is vermeld dat appellant in de periode van

4 april 2011 tot en met 21 september 2011 recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande en een toeslag van 10% van de gehuwdennorm. Uit 4.5 volgt dat deze uitkeringen op onjuiste gronden op nihil zijn gesteld. Een eventueel nader onderzoek door het college zou alleen daarop gericht kunnen zijn. De Raad acht het echter niet aannemelijk dat het gebrek van het bestreden besluit op dit punt nog kan worden hersteld. Gelet op het vorenstaande moeten de aan appellant in het bestreden besluit toegekende bijstand en de toeslag betaalbaar worden gesteld.

5.

Het college zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,- in beroep en op € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Uit artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 7:15, derde lid, van die wet, volgt dat de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar uitsluitend worden vergoed indien het verzoek daartoe is gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Daarvan is in dit geval geen sprake.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 november 2011 gegrond;

- vernietigt dat besluit voor zover daarbij de bijstand en de toeslag over de periode van 4 april

2011 tot en met 21 september 2011 op nihil zijn gesteld;

- bepaalt dat de bijstand en de toeslag met betrekking tot deze periode betaalbaar worden

gesteld;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden

besluit;

- veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.888,-;
- bepaalt dat het college aan betrokkene het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en P.W. van Straalen en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) J.T.P. Pot

HD