Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2478

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
13-102 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit 1: Vernietiging besluit. Het college had moeten beoordelen of en, zo ja, tot welk bedrag appellant recht op bijstand had. Die berekening en beoordeling zijn ten onrechte niet gemaakt. Besluit 2: Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Niet verschoonbare termijnoverschrijding. Besluit 3: Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Het bezwaar van appellant is gericht tegen een in besluit 3 opgenomen mededeling van informatieve aard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/102 WWB, 13/103 WWB, 13/104 WWB

Datum uitspraak: 19 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 14 december 2012, 11/1180, 11/1881 en 11/1882 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. H.M.G. Duijsters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Duijsters. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

C. Bouwens en J.J. Dirix.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft van 24 februari 2005 tot en met 31 december 2007, in aanvulling op zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, bijstand ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), aanvankelijk naar de norm voor gehuwden en vanaf 7 juli 2006 naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Uit een rapportage van het Inlichtingenbureau, afdeling sociale recherche, van 24 september 2010 komt het volgende naar voren. Appellant had in de periode van 5 oktober 2006 tot en met 31 december 2007 (periode in geding) een bankrekening op zijn naam staan die bij het college niet bekend was en waarop op 31 december 2007 een saldo stond van € 30.000,-. Op het verzoek om bankafschriften van die rekening te overleggen, heeft appellant laten weten dat het geld op de betreffende bankrekening betrekking had op een toegekende letselschadevergoeding in verband met een hem op 5 december 1998 overkomen ongeval en dat informatie daarover kon worden opgevraagd bij de advocaat die zijn belangen heeft behartigd in de letselschadezaak, mr. drs. A.L.M. Simons (S). Noch S noch appellant heeft op de daartoe strekkende verzoeken van het college gegevens verstrekt over de door appellant ontvangen letselschadevergoeding.

1.3.

Bij besluit van 28 september 2010 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

30 maart 2011, heeft het college de bijstand van appellant over de periode in geding ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 2.150,37. Aan deze besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van een op zijn naam staande bankrekening, geen gegevens over deze bankrekening te verstrekken en geen informatie te verschaffen over de aan hem toegekende letselschadevergoeding. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 14 februari 2011 (besluit 2) heeft het college, met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB en onder verwijzing naar de door appellant ontvangen letselschadevergoeding in verband met het hem op 5 december 1998 overkomen ongeval, de kosten van bijstand over de periode van 24 februari 2005 tot 1 oktober 2006 van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 2.756,14.

1.5.

Bij brief van 1 maart 2011 heeft S het college het volgende meegedeeld: “Als voormalig raadsman van [appellant] werd ik in het bezit gesteld van onder meer uw brief dd. 14-02-2011, waarover nog telefonisch contact”. Voorts heeft S, samengevat, medegedeeld dat in de loop der jaren voorschotten zijn toegekend op de aan appellant toe te kennen letselschadevergoeding tot een bedrag van € 50.000,-, dat een slotbetaling aan appellant heeft plaatsgevonden van € 20.000,- en dat dit laatste bedrag is te zien als smartengeld. De restsom zag enkel op toekomstig verlies van arbeidsvermogen.

1.6.

Op 28 juni 2011 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend tegen besluit 2. Hij heeft daarbij te kennen gegeven dit besluit pas te hebben ontvangen op 23 juni 2011, toen hij van de rechtbank de stukken ontving in het kader van de beroepsprocedure tegen het in 1.3 genoemde besluit van 30 maart 2011.

1.7.

Bij brief van 23 juli 2011 heeft het college aan appellant een acceptgiro toegezonden voor de betaling van het teruggevorderde bedrag van € 2.756,14, met het verzoek dit bedrag vóór 19 augustus 2011 te voldoen. Naar aanleiding hiervan heeft appellant bij brief van 28 juli 2011 verzocht om de terugvordering op te schorten tot de rechtbank vonnis heeft gewezen op het beroep tegen het besluit van 30 maart 2011 en tot het college een beslissing heeft genomen op het bezwaar tegen besluit 2. Hieraan heeft appellant toegevoegd dat, indien en voor zover het college niet aan dit verzoek tegemoet wil komen, hij een betalingsregeling wenst te treffen van € 25,- per maand. In reactie op dit verzoek heeft het college appellant bij brief van 2 augustus 2011 (besluit 3), voor zover hier van belang, meegedeeld dat de invorderingsmaatregelen worden opgeschort totdat op het bezwaar tegen besluit 2 is beslist en dat de door appellant aangeboden betalingsregeling als onvoldoende moet worden aangemerkt.

1.8.

Bij uitspraak van 16 september 2011 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 maart 2011 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het college opgedragen opnieuw op het bezwaar van betrokkene te beslissen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Daartoe heeft de rechtbank, onder verwijzing naar onder meer artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB, het volgende overwogen, waarbij voor eiser appellant dient te worden gelezen en voor verweerder het college:

“De rechtbank is op grond van de voormelde brief van Simons [de brief van S. van

1 maart 2011] en het bepaalde in artikel 32 van de WWB, van oordeel dat de aan eiser uitgekeerde schadevergoeding van € 50.000,- (de restsom) moet worden aangemerkt als inkomsten in verband met arbeid. Hierbij heeft de rechtbank het feit betrokken dat door eiser geen andere gegevens over zijn letselschade uitkering zijn verstrekt aan verweerder. Dit betekent dat verweerder met deze middelen rekening moet houden bij de bijstandsverlening. De rechtbank is voorts van oordeel dat ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (vgl. LJN: BA9171) de schadevergoeding moet worden toegerekend aan de periode die aanvangt op de datum van het ongeval, in casu 5 december 1998, en eindigt op

31 december 2007 (de datum waarop zijn uitkering is geëindigd). Dit is door verweerder in het bestreden besluit als zodanig ook erkend. De rechtbank stelt echter vast dat een berekening door verweerder van de terugvordering met betrekking tot de periode in geding in het dossier ontbreekt. (...) Dit betekent dat de rechtbank niet kan nagaan of eiser in de hier ter beoordeling staande periode recht had op bijstand en zo ja, voor hoeveel. Het bestreden besluit moet dan ook worden vernietigd omdat het onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd.”

Tegen deze uitspraak hebben partijen geen hoger beroep ingesteld.

1.9.

Bij besluit van 18 oktober 2011 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 opnieuw ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit I heeft het college, samengevat en met vermelding van onder meer artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB, het volgende ten grondslag gelegd. De uitkering wegens verlies aan arbeidsvermogen heeft betrekking op de periode vanaf het moment van het ongeval en moet worden aangemerkt als inkomsten in verband met arbeid als bedoeld in artikel 32 van de WWB. Aangezien sprake is van middelen waarmee bij de bijstandsverlening rekening moet worden gehouden, is terecht overgegaan tot terugvordering van de over de periode in geding verleende bijstand tot een bedrag van € 2.150,37. Voor een specificatie van dit bedrag wordt verwezen naar de bij het bestreden besluit I gevoegde uitgebreide berekening. Appellant heeft geen dringende redenen aangevoerd die aanleiding zouden kunnen geven om van terugvordering af te zien.

1.10.

Bij besluit van 22 oktober 2011 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Het college heeft hieraan, samengevat, ten grondslag gelegd dat, gelet op de brief van S van

1 maart 2011, moet worden aangenomen dat appellant het besluit van 14 februari 2011 aan S heeft overhandigd en dat appellant dus destijds al kennis heeft genomen van dit besluit.

1.11.

Bij besluit van 25 oktober 2011 (bestreden besluit III) heeft het college het bezwaar tegen besluit 3 niet-ontvankelijk verklaard op de grond, samengevat, dat geheel tegemoet is gekomen aan het verzoek van appellant van 28 juli 2011 en dat wat in besluit 3 is opgenomen over de betalingsregeling moet worden beschouwd als een niet op rechtsgevolg gerichte mededeling van informatieve aard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten I, II en III ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De terugvordering van € 2.150,37 (bestreden besluit I)

4.1.

Appellant heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Het college is in het bestreden besluit I in het geheel niet ingegaan op de vraag of appellant in de periode in geding recht op bijstand had en, zo ja, hoeveel. Het college heeft de letselschadevergoeding ten onrechte aangemerkt als middelen waarmee bij de bijstandsverlening rekening moet worden gehouden. Deze uitkering moet immers ingevolge het bepaalde in artikel 31, eerste lid, aanhef en

onder l en m, van de WWB worden aangemerkt als een vrij te laten vergoeding van immateriële schade. Voor zover het college een vordering op appellant heeft, is deze verjaard, aangezien sinds het ongeval op 5 december 1998, de gebeurtenis die heeft geleid tot toekenning van de letselschadevergoeding, meer dan vijf jaar zijn verstreken. Er zijn dringende redenen om van terugvordering af te zien. Zo is de letselschadevergoeding voor een groot deel aangewend voor noodzakelijke hulp aan appellant en aan zijn door het ongeval gehandicapt geworden kinderen, voor hulp in de huishouding en voor kosten van (zieken)vervoer. Daarnaast beschikt appellant niet over enige financiële draagkracht en is in juni 2006 een bedrag van € 23.000,- uit zijn woning ontvreemd.

4.2.

Voorop staat dat, nu partijen geen hoger beroep hebben ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 16 september 2011, deze uitspraak in kracht van gewijsde is. Dat betekent tevens dat moet worden uitgegaan van de onherroepelijkheid van het door de rechtbank in die uitspraak neergelegde oordeel over de haar voorgelegde geschilpunten en de daartoe door de rechtbank gebezigde overwegingen, voor zover deze uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gegeven. De rechtbank heeft in genoemde uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat van de aan eiser uitgekeerde schadevergoeding een bedrag van € 50.000,- moet worden aangemerkt als inkomsten in verband met arbeid, dat het college met deze middelen rekening moet houden bij de bijstandsverlening en dat het bedrag van € 50.000,- moet worden toegerekend aan de periode van 5 december 1998 tot en met 31 december 2007. Gelet hierop kan in deze procedure niet meer aan de orde komen de stelling van appellant dat het college de letselschadevergoeding ten onrechte heeft gerekend tot de middelen waarmee bij de bijstandsverlening rekening moet worden gehouden.

4.3.

Bij het bestreden besluit I heeft het college de intrekking en de terugvordering over de periode in geding gehandhaafd, zij het dat de wettelijke grondslag van de terugvordering - in overeenstemming met de uitspraak van de rechtbank van 16 september 2011 - is gewijzigd in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB.

4.4.

Ervan uitgaande - op grond van de uitspraak van 16 september 2011 - dat het bedrag van € 50.000,- moet worden aangemerkt als naderhand verkregen middelen als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB, was het college niet bevoegd de bijstand van appellant over de periode in geding in te trekken. Immers, volgens vaste rechtspraak (CRvB 27 oktober 2009, LJN BK3358) is er in geval van toepassing van

artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB geen wettelijke basis voor een voorafgaand herzienings- of intrekkingsbesluit op grond van artikel 54, derde lid,

aanhef en onder a of b, van de WWB.

4.5.

In het kader van de nieuw te nemen beslissing op het bezwaar tegen besluit 1 had het college, zo volgt uit de uitspraak van de rechtbank van 16 september 2011, moeten berekenen in hoeverre het bedrag van € 50.000,- kan worden toegerekend aan de periode in geding. In samenhang hiermee had het college moeten beoordelen of en, zo ja, tot welke bedrag appellant recht op bijstand in die periode had. Die berekening en beoordeling zijn in het bestreden besluit I ten onrechte niet gemaakt, wat het college ter zitting van de Raad ook heeft erkend. Dit brengt mee dat het college met het bestreden besluit I geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 16 september 2011.

4.6.

De rechtbank heeft wat is overwogen in 4.4 en 4.5 niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Tevens bestaat aanleiding besluit 1 te herroepen, voor zover daarbij de bijstand is ingetrokken. Voorts bestaat aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit 1 in stand te laten voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.6.1.

De Raad onderschrijft het door het college ter zitting ingenomen standpunt dat, gelet op de hoogte van het door de rechtbank als inkomsten aangemerkte bedrag van de letselschadevergoeding, appellant gedurende de periode in geding geen recht op bijstand had. Aan die periode is, gerelateerd aan de gehele periode van 5 december 1998 tot en met 31 december 2007 waarover het bedrag van € 50.000,- moet worden ‘uitgesmeerd’, een zodanig hoog bedrag toe te rekenen dat appellant geen recht op bijstand heeft. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat appellant in de periode in geding maandelijks een relatief laag bedrag aan (aanvullende) bijstand ontving van maximaal € 165,68.

4.6.2.

Ingevolge artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden. Aansluiting zoekend bij dit artikel vangt de verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit met betrekking tot een onverschuldigde betaling van bijstand aan met ingang van de datum waarop het bestuursorgaan bekend is geworden met de feiten of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van een onverschuldigd betaalde uitkering. In dit geval is het college pas begin 2010 met dergelijke feiten geworden, zodat het beroep op verjaring geen doel treft.

4.6.3.

Het college hanteert ten aanzien van de uitoefening van zijn bevoegdheid tot terugvordering beleid dat is neergelegd in de Beleidsregels terugvordering WWB gemeente Maastricht (Beleidsregels). Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregels ziet het college af van het nemen van een terugvorderingsbesluit indien hiertoe een dringende reden aanwezig is. Dringende redenen zijn aan de orde indien terugvordering tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene zou leiden. De omstandigheid dat appellant de letselschadevergoeding voor een groot deel heeft aangewend voor zaken die verband houden met het hem op 5 december 1998 overkomen ongeval, houdt geen verband met de terugvordering van € 2.150,37 en vormt reeds om die reden geen dringende reden in de hiervoor bedoelde zin. Hetzelfde geldt voor diefstal van een bedrag aan contant geld van € 23.000,- uit de woning van appellant. Voor zover appellant met deze naar voren gebrachte omstandigheden en met de gestelde geringe financiële draagkracht van hem heeft willen betogen dat hij niet in staat is het bedrag van € 2.150,37 terug te betalen, wordt erop gewezen dat financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voordoen indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar de bescherming van de regels inzake de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen besluit 2

4.7.

Appellant heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Besluit 2 heeft hij pas op 23 juni 2011 ontvangen, samen met de door de rechtbank toegezonden gedingstukken in de beroepszaak die heeft geleid tot de uitspraak van 16 september 2011. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellant besluit 2 heeft ontvangen. Dat appellant dit besluit destijds heeft overhandigd aan S volgt niet uit de brief van S van 1 maart 2011. Immers, in die brief staat niet vermeld door wie S in het bezit is gesteld van besluit 2. Door tegen besluit 2 bezwaar te maken binnen twee weken nadat appellant op 23 juni 2011 kennis had genomen van dat besluit, is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

4.8.

Vaststaat dat S vóór 1 maart 2011 in het bezit is gesteld van besluit 2, waarmee tevens vaststaat dat dit besluit, zoals ook kan worden afgeleid uit de vermelde verzenddatum van

15 februari 2011, destijds is verzonden. Nu besluit 2 is geadresseerd aan appellant en op het juiste adres, moet voorts als vaststaand worden aangenomen dat appellant besluit 2 medio februari 2011 heeft ontvangen. Appellant heeft dit betwist, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat S besluit 2 op een andere wijze in zijn bezit heeft kunnen krijgen dan via appellant. Aangezien het college het bezwaarschrift tegen besluit 2 pas op 28 juni 2011 heeft ontvangen, heeft appellant niet tijdig bezwaar gemaakt. Tegen deze achtergrond leidt de omstandigheid dat appellant binnen twee weken na 23 juni 2011 bezwaar heeft gemaakt tegen besluit 2 niet tot een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Andere omstandigheden die daartoe zouden kunnen leiden heeft appellant niet aangevoerd. Het college heeft het bezwaar tegen besluit 2 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen besluit 3

4.9.

Appellant heeft aangevoerd dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank heeft overwogen dat er geen aanleiding was om in te gaan op het verzoek van appellant om onderzoek te doen naar zijn draagkracht. Hij verwijst in dit verband naar de omstandigheden die hij naar voren heeft gebracht ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

4.10.

Vaststaat dat het college met besluit 3 tegemoet is gekomen aan het verzoek van appellant om niet tot invordering over te gaan van het bij besluit 2 teruggevorderde bedrag van € 2.756,14 totdat het college op het bezwaar tegen dit besluit heeft beslist. Reeds om die reden moet wat het college in besluit 2 heeft opgemerkt over de door appellant aangeboden betalingsregeling worden aangemerkt als een - niet op rechtsgevolg gerichte - mededeling van informatieve aard. Een betalingsregeling komt immers pas in beeld indien het college het bedrag van € 2.756,14 daadwerkelijk gaat invorderen. Aangezien het bezwaar van appellant is gericht tegen een in besluit 3 opgenomen mededeling van informatieve aard, heeft het college dit bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.11.

Uit 4.8 en 4.10 volgt dat het hoger beroep, voor zover het is gericht tegen de ongegrondverklaring van de beroepen tegen de bestreden besluiten II en III, niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant inzake bestreden besluit 1. Deze kosten worden begroot op € 944,- in beroep en € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 44,20 voor gemaakte reiskosten in hoger beroep, in totaal dus € 1.932,20.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

18 oktober 2011 ongegrond is verklaard;

- verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt het besluit van 18 oktober 2011;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 18 oktober 2011 in stand

blijven voor zover dit besluit ziet op de terugvordering;

- herroept het besluit van 28 september 2010 voor zover daarbij de bijstand van appellant is

ingetrokken over de periode van 5 oktober 2006 tot en met 31 december 2007 en bepaalt dat

deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 18 oktober 2011;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.932,20;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep (tegen het besluit van 18 oktober 2011) en

hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en W.F. Claessens en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) A.C. Oomkens

HD