Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2475

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
12-4451 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om kwijtschelding. Vaststaat dat ten tijde van de besluitvorming op het verzoek om kwijtschelding de vereiste termijn van vijf jaar sinds de start van de afbetalingsregeling nog niet was verstreken. Nu aan die voorwaarde van de (oude) Beleidsregels 2011 niet was voldaan komt het verzoek van appellante om kwijtschelding reeds op die grond niet voor inwilliging in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4451 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 juli 2012, 12/1318 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers, rechtsopvolger van het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat (dagelijks bestuur

Datum uitspraak: 19 november 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Shahbazi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 8 oktober 2013. Partijen zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 18 december 2006 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante over de periode van 1 november 2005 tot en met 26 juni 2006 herzien vanwege verzwegen inkomsten uit hennepteelt en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 9.265,73 van appellante teruggevorderd.

1.2.

Bij besluit van 7 maart 2007 heeft het dagelijks bestuur de hoogte van het aflossingsbedrag op verzoek van appellante voorlopig vastgesteld op € 30,- per maand en daarbij aangegeven dat uiteindelijk maandelijks minimaal € 82,30 op de vordering van het dagelijks bestuur afgelost dient te worden.

1.3.

Op 7 oktober 2011 heeft appellante bij het dagelijks bestuur een ver- zoek ingediend om kwijtschelding van de restschuld.

1.4.

Bij besluit van 10 oktober 2011 heeft het dagelijks bestuur dit verzoek om kwijtschelding afgewezen.

1.5.

Bij besluit van 7 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 oktober 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond gezien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in afwijking van artikel 15 van de Beleidsregels 2011 de restvordering geheel of gedeeltelijk had moeten kwijtschelden. De rechtbank is voorts, anders dan het college ter zitting heeft toegelicht, van oordeel dat uit artikel 16, eerste en tweede lid, van de Beleidsregels 2011 in onderlinge samenhang gelezen, volgt dat in geval van fraudevorderingen een verzoek om kwijtschelding, na het voldoen aan de betalingsverplichting gedurende een termijn van vijf jaar, niet al vanwege de verwijtbaarheid dient te worden afgewezen. Ten tijde van de onderhavige besluitvorming was echter nog geen vijf jaar verstreken sinds de start van de afbetalingsregeling. Tijdens de behandeling ter zitting op 12 juli 2012 heeft de rechtbank appellante uitdrukkelijk in overweging gegeven om alsnog een verzoek om kwijtschelding bij het college in te dienen aangezien aannemelijk is dat voornoemde termijn op dat moment wel was verstreken.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur op grond van haar persoonlijke omstandigheden een uitzondering op de beleidsregels voor haar had moeten maken omdat zij financieel in een uitzichtloze situatie verkeert en ten einde raad is.

4.

Bij besluit van 8 maart 2013 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 16 augustus 2012 op een na de zitting bij de rechtbank door appellante ingediend herhaald verzoek om kwijtschelding van de restschuld, gegrond verklaard. Het dagelijks bestuur heeft, ondanks dat ten tijde van dit verzoek andere Beleidsregels van kracht waren, toepassing gegeven aan de ruimere (oude) Beleidsregels 2011. Daarbij heeft het dagelijks bestuur het standpunt ingenomen dat nu appellante feitelijk ruim zes jaar aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan en heeft aangetoond dat zij zich in een financieel uitzichtloze situatie bevindt, het verlenen van kwijtschelding van het restant van de vordering aanvaardbaar is.

4.1.

In reactie op het besluit van 8 maart 2013 heeft appellante desgevraagd aangegeven het hoger beroep te handhaven omdat haar eerste verzoek om kwijtschelding ten onrechte niet is gehonoreerd.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van wat zij reeds in beroep naar voren heeft gebracht.


5.2. De Raad onderschrijft wat de rechtbank ter zake in de rechtsoverwegingen onder 3 tot en met 5 heeft overwogen en geoordeeld. Dit geldt ook voor de door de rechtbank onder 6 gegeven interpretatie van artikel 16 van de in onderhavig geding van toepassing zijnde (oude) Beleidsregels 2011, dat in geval van fraudevorderingen een verzoek om kwijtschelding na het voldaan hebben aan de betalingsverplichtingen gedurende vijf jaar, niet alleen al vanwege de verwijtbaarheid van het gedrag dient te worden afgewezen. Indien een betrokkene aan de voorwaarde van artikel 16 van de Beleidsregels 2011 voldoet dient het dagelijks bestuur te beoordelen of de individuele omstandigheden aanleiding geven om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om op de voet van dit artikel tot kwijtschelding over te gaan.

5.3. Vaststaat dat ten tijde van de besluitvorming op het onderhavige verzoek om kwijtschelding de vereiste termijn van vijf jaar sinds de start van de afbetalingsregeling nog niet was verstreken. Nu aan die voorwaarde van de (oude) Beleidsregels 2011 niet was voldaan komt het verzoek van appellante om kwijtschelding reeds op die grond niet voor inwilliging in aanmerking.

5.4.

Uit hetgeen onder 5.2 en 5.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2013.

(getekend) M. Hillen

(getekend) P.C.de Wit

HD