Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2472

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
12-5544 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant aan het college onvoldoende inlichtingen heeft verschaft en heeft niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand over de hier te beoordelen periode niet worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag om bijstand van appellant dan ook terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5544 WWB

Datum uitspraak: 19 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van

25 september 2012, 12/2801 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2013. Namens appellant is

mr. Boon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 21 december 2011 gemeld bij het UWV werkbedrijf voor een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 13 februari 2012 heeft appellant de aanvraag om bijstand ingediend.

1.2.

Bij besluit van 16 april 2012 heeft het college de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt die bij brieven van 7 en 23 maart 2012 zijn opgevraagd.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 april 2012. Tevens heeft appellant een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

1.4.

Bij besluit van 31 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 april 2012, onder aanpassing van de motivering, ongegrond verklaard. Het college stelt zich, inhoudelijk oordelend, op het standpunt dat appellant onvoldoende deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt op welke wijze hij vanaf september 2011 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Hierdoor is niet duidelijk of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft zich, samengevat weergegeven, op het standpunt gesteld dat hij voldoende duidelijk heeft gemaakt op welke wijze hij, voorafgaand aan zijn aanvraag om een bijstandsuitkering, in zijn levensonderhoud heeft voorzien en betwist dat hij hierover tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Ter zitting heeft appellant als subsidiair standpunt naar voren gebracht dat de stortingen op zijn bankrekening als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB dienen te worden aangemerkt. In dat geval kan het recht op bijstand wel worden vastgesteld.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geval waarin het bijstandverlenend orgaan een aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling heeft gesteld en dat orgaan na bezwaar bij de beslissing op bezwaar alsnog inhoudelijk op die aanvraag beslist, vangt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel aan op de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen en eindigt die periode op de datum van de beslissing op bezwaar of - zo het bijstandverlenend orgaan de betrokkene met ingang van een eerdere datum bijstand heeft verleend - tot aan die eerdere datum. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 21 december 2011 tot en met 31 juli 2012.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 1 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2010:BP7041) rust de bewijslast ter zake van bijstandbehoevendheid bij aanvragen van bijstand in beginsel op de aanvrager zelf. In dat kader dient de aanvrager duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie. Desgevraagd zal de aanvrager een en ander moeten staven met schriftelijke bescheiden, zo nodig (ook) over een periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB levert een rechtsgrond op voor weigering van de bijstand indien door schending van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

In het kader van zijn aanvraag heeft appellant op 4 januari 2012 een intakegesprek gehad. Appellant heeft toen op de hem voorgelegde vraag hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien geantwoord dat zijn oom en tantes hem hebben ondersteund en dat hij € 2.000,- geleend heeft. Op de vraag van wie hij dat bedrag geleend heeft, wilde appellant geen antwoord geven. Tijdens het tweede intakegesprek op 13 februari 2012 heeft appellant hierover alsnog duidelijkheid verschaft door te verklaren dat de lening is verstrekt door

[T.]. Op het aanvraagformulier, gedagtekend 13 februari 2012, heeft appellant op de vraag of hij leningen, afbetalingen of andere schulden heeft evenwel ontkennend geantwoord. Tijdens het derde intakegesprek op 22 maart 2012 heeft appellant vervolgens verklaard dat hij met het geleende geldbedrag van € 2.000,- in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Uit het bezwaarschrift van 2 mei 2012 volgt dan dat appellant inmiddels een bedrag van € 3.000,- heeft geleend. Volgens appellant zou € 2.000,- via kasstortingen op 5 oktober, 26 oktober, 14 december (lees: 19 december) en 28 december 2011 naar hem zijn overgemaakt en € 1.000,- contant zijn overhandigd. Uit bankafschriften blijkt evenwel dat op 17 januari en 7 maart 2012 een storting van € 500,- is gedaan, waarvan in het hoger beroepschrift wordt verklaard dat deze stortingen deel uitmaken van de door [T.] verstrekte lening.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat appellant tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de hoogte van de lening. Bovendien heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat op hem de verplichting rust om het geleende bedrag terug te betalen. Dit blijkt ook niet uit de in de bezwaarfase overgelegde (ongedateerde) verklaring van [T.], die niet anders dan pas achteraf kan zijn opgesteld aangezien appellant tijdens het intakegesprek op 22 maart 2012 nog had verklaard dat met betrekking tot de lening bewijs ontbreekt. Ten slotte heeft het college terecht geconstateerd dat uit de bankafschriften geen uitgaven blijken voor levensmiddelen of persoonlijke verzorgingsproducten. Hiervoor heeft appellant geen bevredigende verklaring gegeven.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat appellant aan het college onvoldoende inlichtingen heeft verschaft. Daarmee heeft hij niet voldaan aan de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand over de hier te beoordelen periode niet worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag om bijstand van appellant dan ook terecht afgewezen. Hieruit vloeit voort dat het ter zitting opgeworpen subsidiaire standpunt van appellant geen bespreking behoeft.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2013.

(getekend) M. Hillen

(getekend) P.C. de Wit

sg