Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2466

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
09-3573 ANW-W
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek om wraking niet-ontvankelijk. Verzoekster heeft geen belang. Mr. Schoor heeft immers geen enkele bemoeienis meer met de zaak van verzoekster. Afwijzing verzoek om te wraken. De klachten van verzoekster betreffen - al dan niet voorlopige - beslissingen met betrekking tot de procedure en de lange behandelingsduur. Zij betreffen daarmee niet een omstandigheid die een aanwijzing vormt voor het oordeel dat mr. Simon jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij haar dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/2529
BA 2013/284
Abkort 2013/433
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3573 ANW-W, 10/1656 ANW-W, 13/4904 ANW-W

Datum uitspraak: 18 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op de wrakingsverzoeken gedaan door

[Verzoekster] te [woonplaats], Frankrijk (verzoekster)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft bij beroepschrift van 25 juni 2009 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 18 mei 2009, 08/592, in het geding tussen verzoekster en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).

Dit hoger beroep is door een meervoudige kamer van de Raad behandeld ter zitting van

18 maart 2011. Deze kamer bestond uit de thans gewraakte rechters mrs. Van der Kade, Schoor en Simon. De Raad heeft na de sluiting van de behandeling ter zitting vastgesteld dat het onderzoek niet volledig was geweest en het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend, teneinde vragen te kunnen stellen aan de Svb. Deze vragen zijn gesteld bij brief van 18 april 2011 en beantwoord op 2 december 2011. Nadere vragen zijn door de Raad gesteld bij brief van 8 maart 2012. Deze zijn beantwoord op 15 november 2012.

Op 29 augustus 2013 heeft de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar ingezonden. De Raad heeft vooralsnog aanleiding gezien dat besluit bij de lopende procedures te betrekken en daarvan mededeling gedaan aan verzoekster.

Naar aanleiding van deze mededeling heeft verzoekster de rechters die de zaak op 18 maart 2011 hebben behandeld gewraakt.

Mrs. Van der Kade, Schoor en Simon zijn in de gelegenheid gesteld op het verzoek om wraking te reageren. Mrs. Van der Kade en Schoor hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt, respectievelijk bij brieven van 7 oktober 2013 en 8 oktober 2013. Beiden hebben meegedeeld niet in de wraking te berusten. Mr. Schoor heeft er daarbij op gewezen dat hij met ingang van 1 september 2013 met FPU is gegaan, dat zijn ABP-pensioen met ingang van

1 oktober 2013 is ingegaan en dat hij met ingang van 1 september 2013 als raadsheer-plaatsvervanger is aangesteld met het oog op de afwerking van de nog in circulatie zijnde concepten van uitspraken. Met de zaak van verzoekster zal hij geen bemoeienis meer hebben. Verzoekster en mrs. Van der Kade, Schoor en Simon zijn voorts in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van de Raad op 11 november 2013. Mr. Schoor heeft te kennen gegeven van deze gelegenheid geen gebruik te zullen maken. Mr. Van der Kade is ter zitting verschenen. Mr. Simon is niet verschenen. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde]. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.

Het verzoek om wraking van mr. Van der Kade is ter zitting ingetrokken. Dat betekent dat dit verzoek geen bespreking meer behoeft.

2.

Bij een uitspraak op het verzoek om wraking van mr. Schoor heeft verzoekster geen belang. Blijkens zijn reactie op het wrakingsverzoek heeft mr. Schoor immers geen enkele bemoeienis meer met de zaak van verzoekster. Het verzoek om wraking van mr. Schoor moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.

Artikel 8:15 van de Awb bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.

4.

Bij brieven van 22 december 2012, 19 juni 2013 en 3 juli 2013 heeft verzoekster zich beklaagd over de lange behandelingsduur van haar zaak. Zij heeft daarbij verzocht de door de Svb vanaf november 2012 aan de Raad gezonden stukken buiten beschouwing te laten. Het verzoek om wraking is in grote lijnen een herhaling van de in deze drie brieven neergelegde klachten over de lange behandelingsduur en de door de Svb gevolgde werkwijze, waarvan verzoekster de Raad heeft verweten daarmee in te stemmen. Het aanzien van de rechtspraak wordt daardoor volgens verzoekster ernstig geschaad.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, LJN BM9141).

5.2.

De hiervoor onder 4 genoemde klachten voldoen niet aan de in 5.1 geformuleerde voorwaarden. De klachten van verzoekster betreffen - al dan niet voorlopige - beslissingen met betrekking tot de procedure en de lange behandelingsduur. Zij betreffen daarmee niet een omstandigheid die een aanwijzing vormt voor het oordeel dat mr. Simon jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij haar dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De Raad wijst in dit verband op bijvoorbeeld zijn uitspraak van 25 augustus 2010, LJN BN5076. Voor zover de klachten zijn gericht op de vertraagde beantwoording van de door de Raad aan de Svb gestelde vragen hebben zij geen betrekking op mr. Simon. In dit verband wijst de Raad op zijn uitspraak van 14 oktober 2008,

LJN BG0276. De door verzoekster geformuleerde klachten kunnen - desgewenst - aan de orde worden gesteld bij de verdere (inhoudelijke) afdoening van de zaak van verzoekster door de Raad.

5.3.

Uit 5.1 en 5.2 volgt dat het verzoek om mr. Simon te wraken moet worden afgewezen.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het verzoek om wraking van mr. Schoor niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om wraking van mr. Simon af.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.F. Bandringa en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) S.K. Dekker

HD