Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2465

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
12-5067 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Volledig en zorgvuldig onderzoek verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die aanleiding geven voor twijfel aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant. Geen benoeming deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 5067 WAO

Datum uitspraak: 8 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van

2 augustus 2012, 12/65 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.Y. van der Pol, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden.

Bij fax van 27 juni 2013 heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft in verband klachten die voortkomen uit een whiplash een uitkering ontvangen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Het Uwv heeft de aan appellant toegekende uitkering met ingang van 28 mei 2007 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. De intrekking van de uitkering is na bezwaar gehandhaafd bij een besluit van 11 oktober 2007. Dit besluit is in rechte onaantastbaar.

1.2. Op 9 mei 2010 heeft appellant bij het Uwv gemeld dat zijn gezondheidstoestand sedert juli 2008 was verslechterd.

1.3. Bij besluit van 27 september 2010 heeft het Uwv geweigerd om appellant in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de WAO. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringarts van het Uwv van 3 augustus 2010 ten grondslag waarin deze verzekeringsarts tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen.

1.4. Bij besluit van 27 januari 2011 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 september 2010 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 augustus 2011 heeft de rechtbank Assen het beroep van appellant tegen het besluit van 27 januari 2011 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat haar niet duidelijk is op welke datum de beoordeling door het Uwv betrekking heeft.

1.5. Ter uitvoering van de in 1.4 vermelde uitspraak heeft het Uwv de medische beoordeling heroverwogen. Bij besluit van 30 december 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 september 2010 wederom ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat de belastbaarheid van appellant niet is gewijzigd sedert de laatste beoordeling in 2007 en per beoordelingsdata van juli 2008 (arbitrair 1 juli 2008) - het moment waarop de klachten zouden zijn toegenomen -, 6 mei 2010 - de datum dat een WSW-indicatie is gegeven - en 9 mei 2010, de datum waarop appellant melding heeft gedaan van toegenomen klachten. Er is geen sprake van toegenomen beperkingen.

2.

In beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat zijn beperkingen niet juist zijn gewaardeerd. Hij heeft ter onderbouwing verwezen naar een rapport van fysiotherapeut

P. van Sisseren van 17 april 2012 en een rapport van 26 december 2002 van neuroloog

A.W.F. Rutgers, dat ten grondslag heeft gelegen aan de toekenning van een WSW-indicatie.

2.2.

De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het Uwv bij rapporten van

24 januari 2011 en 7 december 2011 van de bezwaarverzekeringsarts voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanwijzingen zijn dat de beperkingen van appellant als gevolg van whiplash sedert 2007 zijn toegenomen. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn betoog dat uit het in beroep ingezonden rapport van neuroloog Rutgers volgt dat bij hem sprake is van blijvend letsel ten aanzien van lopen, staan en zitten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts bij rapport van 4 april 2012 inzichtelijk heeft uiteengezet dat de door de neuroloog vastgestelde beperkingen in grote mate overeenkomen met de door haar vastgestelde beperkingen en dat uit het rapport van de neuroloog niet blijkt van het door appellant gestelde blijvend letsel. De rechtbank betrekt daarbij dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport tevens heeft vastgesteld dat de neuroloog ten aanzien van de klachten en ervaren beperkingen van appellant heeft aangegeven dat deze passen bij een postwhiplashsyndroom en niet te objectiveren zijn en dat de bezwaarverzekeringsarts heeft toegelicht dat bij de beoordeling rekening is gehouden met beperkingen die in het algemeen aannemelijk zijn voor nekbelastende en fysiek zware werkzaamheden. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan het rapport van de fysiotherapeut niet de waarde toegekend worden die appellant daaraan verbonden wenst te zien omdat de opsteller van dat rapport geen medicus is. De rechtbank heeft ten aanzien van het betoog van appellant dat zijn klachten mogelijk voortvloeien uit astma en hypertensie vastgesteld dat dit niet aan de orde kan komen in het aanhangige geschil. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn betoog dat het Uwv na de uitspraak van de rechtbank Groningen van 11 augustus 2011 aanvullend onderzoek had dienen te verrichten nu appellant geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid te worden gehoord door het Uwv. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de verzekeringsgeneeskundige rapporten van 14 februari 2007, 3 augustus 2010 en 24 januari 2011, waarin is vastgesteld dat er geen indicatie is voor een duurbeperking, als haar oordeel uitgesproken dat appellant niet gevolgd kan worden in zijn standpunt dat er geen instemming is over de op te leggen duurbeperking. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad heeft de rechtbank tot slot geoordeeld dat de toelating tot de doelgroep van de WSW geen rechtstreekse betekenis heeft voor de vraag of aanspraak bestaat op een WAO-uitkering. De rechtbank heeft in de stukken die betrekking hebben op de indicatiestelling in het kader van de WSW geen aanwijzingen gevonden dat het bestreden besluit op een onjuiste medische grondslag berust.

3.

In hoger beroep heeft appellant staande gehouden dat zijn uit een whiplash voortkomende beperkingen zijn toegenomen. Appellant heeft herhaald dat het medisch onderzoek ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank Assen van 11 augustus 2011 onvoldoende uitgebreid en zorgvuldig is geweest. Appellant acht het niet juist dat het Uwv heeft volstaan met dossieronderzoek. Hij betoogt dat zijn duizeligheidsklachten en vermoeidheidsklachten het gevolg kunnen zijn van de whiplash, maar ook gerelateerd kunnen zijn aan astma en hypertensie. De WSW-indicatie en de rapporten van fysiotherapeut Van Sisseren en neuroloog Rutgers in onderlinge samenhang bezien, geven naar de mening van appellant voldoende reden te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv. Appellant verzoekt de Raad bij twijfel aan de juistheid van de beperkingen een deskundige te benoemen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft gesteld vormt in essentie een herhaling van hetgeen hij eerder in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen.

4.2.

Appellant kan niet gevolgd worden in zijn betoog dat het medisch onderzoek te beperkt is gebleven en dat vanwege de omstandigheid dat door het Uwv niet is onderzocht of de afname van zijn belastbaarheid mogelijk gerelateerd kan zijn aan astma en hypertensie de twijfel over het oorzakelijk verband tussen de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid en de later toegenomen arbeidsongeschiktheid in het voordeel van appellant moet doorslaan. Daartoe wordt overwogen dat zowel het rapport van de verzekeringsarts als de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts blijk geven van een voldoende volledig en zorgvuldig onderzoek. De verzekeringsartsen hebben hun conclusies overtuigend gemotiveerd. De rapporten van de verzekeringsarts van 3 augustus 2010 en van de bezwaarverzekeringsarts van 24 januari 2011, 7 december 2011 en 4 april 2012 bevatten, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, geen aanwijzingen dat de beperkingen van appellant zijn toegenomen dan wel dat de beperkingen van appellant niet juist zijn vastgesteld. De door appellant aangehaalde rapporten en de WSW-indicatie leveren op zichzelf beschouwd, zoals terecht door de rechtbank is overwogen, noch in onderling verband bezien een grond op voor de stelling van appellant dat er sprake is van toegenomen beperkingen. Daartoe wordt overwogen dat ook uit de samenhang van de stukken niet blijkt van andere beperkingen dan beoordeeld en meegewogen door de verzekeringsartsen. Appellant heeft in hoger beroep verder geen medische gegevens overgelegd die aanleiding geven voor twijfel aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant. Er is dan ook onvoldoende aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2013.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) K.E. Haan

JL