Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2461

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
12-1586 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Svb heeft aangenomen dat het door appellant in september 2005 met een medewerker van de Svb gevoerde telefoongesprek - waarbij volgens de Svb is verzuimd appellant te informeren over de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering voor de echtgenote - aangemerkt moet worden als een aanvraag voor de vrijwillige AOW-verzekering. Deze aanname van de Svb kan niet anders verstaan worden dan als een erkenning van een verzuim van de Svb bij de totstandkoming van een - eerdere - aanvraag tot toelating tot de vrijwillige verzekering die tot een eerdere herziening van de toeslag voor appellant zou hebben kunnen leiden. Dit betekent dat de Svb over de (na)betaling van de toeslag, ter uitvoering van het besluit van 6 mei 2011 waarbij de toeslag per oktober 2004 is herzien, wettelijke rente is verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarin de beslistermijn voor de wijziging van de toeslag was verstreken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:102
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2014/5
BA 2013/276
Abkort 2013/439
USZ 2013/403
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

7 maart 2012, 11/8147 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vervolgens nog enige stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2013. Appellant is daarbij in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren op 4 januari 1934, is op 27 oktober 2004 gehuwd met

[naam echtgenote], geboren op 11 juli 1955. De Svb heeft toen het aan appellant toegekende ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van november 2004 herzien van een volledig pensioen voor een ongehuwde naar het volledige pensioen voor een gehuwde met een gedeeltelijke toeslag.

1.2. In augustus 2010 heeft[naam echtgenote] verzocht om zich vanaf haar 15e verjaardag tot haar vestiging in Nederland op 7 juli 2004 vrijwillig te mogen verzekeren ingevolge de AOW. Bij besluit van 21 september 2010 heeft de Svb [naam echtgenote] bevoegd geacht deel te nemen aan de vrijwillige AOW-verzekering van 11 juli 1970 tot 27 oktober 2004. De over die periode verschuldigde premie voor de vrijwillige AOW-verzekering is vervolgens door[naam echtgenote] in oktober 2010 betaald.

1.3. De Svb heeft vervolgens bij besluit van 11 november 2010 de aan appellant toegekende toeslag ingevolge de AOW met ingang van oktober 2009 herzien naar een volledige toeslag. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat hij zich niet kon verenigen met de ingangsdatum van de herziening van de toeslag.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 6 mei 2011 heeft de Svb het bezwaar van appellant gegrond verklaard en is nader besloten dat appellant vanaf oktober 2004 recht heeft op een volledige toeslag. Daartoe is overwogen dat appellant in september 2005 telefonisch contact heeft gehad met de Svb over de opbouw van het pensioen van zijn partner en dat hij toen niet is geïnformeerd over de mogelijkheid van vrijwillige verzekering voor zijn partner. De Svb is van mening dat onder deze omstandigheden het telefoongesprek van september 2005 aangemerkt moet worden als de aanvraag voor de vrijwillige AOW-verzekering. Uitgaande van een inkoop in de vrijwillige verzekering in die maand bestaat, rekening houdend met een terugwerkende kracht van één jaar, met ingang van oktober 2004 recht op een volledige toeslag.

1.5. De Svb heeft vervolgens de nog verschuldigde toeslag over het tijdvak van oktober 2004 tot en met september 2009 in twee etappes aan appellant betaald. Bij brieven van 6 mei 2011 en 16 juni 2011 heeft de Svb over de nabetalingen aan appellant wettelijke rente vergoed vanaf november 2010 tot en met mei 2011 ter hoogte van € 218,67 en € 73,55.

1.6. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Hij is van mening dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente over de nabetalingen vanaf oktober 2004.

1.7. Bij besluit op bezwaar van 20 september 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat eerst vanaf de datum waarop door de partner van appellant de premie voor de vrijwillige AOW-verzekering was voldaan, voor de Svb een betalingsverplichting is ontstaan, zodat eerst vanaf dat moment sprake kan zijn geweest van een verzuim als bedoeld in artikel 4:102 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, overwegende dat niet valt in te zien dat de Svb vóór november 2010 wettelijke rente verschuldigd was, nu voor die datum door de partner van appellant nog niet was voldaan aan de verplichting tot het betalen van de verschuldigde premie voor de vrijwillige AOW-verzekering.

3.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij recht heeft op een vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling van toeslag vanaf oktober 2004.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voorop moet worden gesteld dat het bestreden besluit uitsluitend betrekking heeft op de vergoeding van wettelijke rente over de nabetalingen van toeslag AOW aan appellant. Dit betekent dat het geschil tussen partijen is beperkt tot de vraag of de wettelijke rente juist is berekend door toekenning van een vergoeding van wettelijke rente vanaf november 2010. De door appellant ook genoemde belastingschade en schade in verband met een mogelijke terugvordering van zorgtoeslag vallen buiten de omvang van het geding. Ten aanzien van de belastingschade en de zorgtoeslag heeft de Svb inmiddels een schadebesluit genomen, waarover een procedure aanhangig is.

4.2.

Ten aanzien van de wijze waarop de wettelijke rente moet worden berekend heeft de Raad in zijn uitspraak van 28 oktober 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU2160) overwogen dat voor zover geen sprake is van specifieke algemeen verbindende voorschriften - anders dan de algemene bepalingen van Titel 4.4 van de Awb - met betrekking tot het tijdstip waarop deze periodieke betalingen moeten worden verricht, voortaan als uitgangspunt geldt dat de wettelijke rente gaat lopen op de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand (of het andere tijdvak) waarop de periodieke betaling betrekking heeft. Indien het niet gaat om reeds lopende periodieke betalingen, maar om een eerste toekenning of om een wijziging van een element van de periodieke betaling, geldt bovendien dat de wettelijke rente niet eerder gaat lopen dan vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de beslistermijn voor de toekenning of wijziging is verstreken. 4.3. Allereerst moet vastgesteld worden dat in dit geval sprake is van een aspecifieke situatie die niet geheel past in de hiervoor weergegeven uitgangspunten. Van een expliciet verzoek van appellant tot verhoging van de toegekende toeslag is niet gebleken, zodat ook geen sprake is van een op enig moment verstreken beslistermijn ter zake van een verzoek om verhoging van de toeslag. De Svb heeft echter aangenomen dat het door appellant in september 2005 met een medewerker van de Svb gevoerde telefoongesprek - waarbij volgens de Svb is verzuimd appellant te informeren over de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering voor[naam echtgenote]

- aangemerkt moet worden als een aanvraag voor de vrijwillige

AOW-verzekering. Deze aanname van de Svb kan niet anders verstaan worden dan als een erkenning van een verzuim van de Svb bij de totstandkoming van een - eerdere - aanvraag tot toelating tot de vrijwillige verzekering die tot een eerdere herziening van de toeslag voor appellant zou hebben kunnen leiden. Dit betekent dat de Svb over de (na)betaling van de toeslag, ter uitvoering van het besluit van 6 mei 2011 waarbij de toeslag per oktober 2004 is herzien, wettelijke rente is verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarin de beslistermijn voor de wijziging van de toeslag was verstreken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de Svb voor eind november 2005 een beslissing had moeten nemen op het verzoek om toelating tot de vrijwillige AOW-verzekering van[naam echtgenote], dat de verschuldigde vrijwillige premie door haar binnen twee maanden nadien voldaan was en dat de Svb vervolgens uiterlijk in maart 2006 een besluit had moeten nemen over de herziening van de toeslag van appellant. Uitgaande van deze maximale beslistermijnen en een redelijk te achten betaaltermijn was de beslistermijn voor herziening van de toeslag van appellant in maart 2006 verstreken. Uit de hiervoor vermelde vaste rechtspraak van de Raad volgt dat alsnog wettelijke rente verschuldigd is over de periode van 1 april 2006 tot 1 november 2010.

4.4.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen. De Raad zal de primaire besluiten van 6 mei 2011 en 16 juni 2011 herroepen en bepalen dat de Svb alsnog wettelijke rente verschuldigd is over periode van

1 april 2006 tot 1 november 2010.

5.

Er is aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 10,60 in beroep en € 11,80 in hoger beroep ter zake van reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 20 september 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    herroept de besluiten van 6 mei 201 en 16 juni 2011 en bepaalt dat de Svb over de periode van april 2006 tot november 2010 alsnog wettelijke rente vergoedt over de nabetaalde toeslag AOW;

  • -

    veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 22,40;

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

R.C. Stam als leden in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2013.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) H.J. Dekker

JvC