Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2453

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2013
Datum publicatie
15-11-2013
Zaaknummer
11-7469 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. Zorgvuldig onderzoek (bezwaar)verzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft op navolgbare wijze gemotiveerd waarom hij is uitgegaan van de diagnose somatisatiestoornis. Geen aanleiding voor twijfel aan de door de verzekeringsarts in de FML vastgelegde en voor appellante geldende beperkingen tot het verrichten van arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7469 WIA

Datum uitspraak: 8 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

14 november 2011, 11/762 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Achterveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Achterveld. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1. Het Uwv heeft geweigerd met ingang 13 december 2004 aan appellante een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Opname van appellante in een revalidatiekliniek heeft geleid tot toekenning van een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% over de periode van 11 mei 2005 tot 28 november 2005. Appellante heeft zich met ingang van 14 februari 2008 ziek gemeld. Zij ontving toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Van 10 november 2008 tot en met 6 april 2009 volgde appellante in deeltijd een programma voor mensen met een somatoforme stoornis. In verband met deze opname heeft appellante over de periode van

8 december 2008 tot 7 april 2009 een WAO-uitkering ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2. In reactie op de aanvraag van appellante om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 21 juni 2010 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 10 februari 2010 geen recht op een
WIA-uitkering is ontstaan omdat appellante met ingang van 10 februari 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen deze weigering bij besluit van 14 februari 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen uitvoerig onderzoek hebben gedaan, daarbij een niet gering aantal medische stukken van derden hebben betrokken en rekening hebben gehouden met een veelheid aan klachten. Het is de rechtbank niet gebleken dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig zou zijn geschied. Verder heeft de rechtbank overwogen dat appellante haar stelling dat zij meer beperkt is, niet met medische gegevens of feiten heeft onderbouwd. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat de verklaring van de huisarts geen betrekking heeft op de datum in geding en dat de verklaring van de revalidatiearts enkel de constatering omvat dat appellante niet trainbaar is, waarvoor hij geen verklarende medische onderbouwing geeft. De bezwaarverzekeringsarts heeft op navolgbare wijze gemotiveerd waarom hij is uitgegaan van de diagnose somatisatiestoornis.

3. Appellante heeft in hoger beroep verwezen naar de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden en meer in het bijzonder gesteld dat ten onrechte voorbij is gegaan aan de door haar in geding gebrachte medische informatie van haar huisarts en revalidatiearts. Verder heeft de gemachtigde van appellante in een aanvullend hoger beroepschrift te kennen gegeven dat hij niet in staat is aanvullende medische informatie in geding te brengen. In zijn visie spitst de discussie tussen het Uwv en appellante zich met name toe op de vraag of sprake is van een te objectiveren ziekteoorzaak. In dat kader heeft hij eerder gewezen op het feit dat appellante aan nader onderzoek heeft deelgenomen. Naar nu, achteraf gezien, is gebleken is dat onderzoek meer algemeen geweest en heeft dat niet geleid tot voor appellante op individuele basis geldende conclusies. Verder heeft de gemachtigde van appellante meer algemene informatie ingezonden met betrekking tot het onderwerp conversiestoornis/verlamming, met het verzoek deze informatie in de oordeelsvorming te betrekken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De onder 3 weergegeven gronden van hoger beroep komen er in feite op neer dat appellante van mening is dat haar mogelijkheden tot het verrichten van werk zijn overschat, omdat de verzekeringsartsen van het Uwv ten onrechte niet de diagnose conversiestoornis hebben gesteld. Los van het gegeven dat het vaste rechtspraak is van de Raad dat bij de vaststelling van de beperkingen tot het verrichten van arbeid de diagnose niet doorslaggevend is, hebben de door appellante in geding gebrachte gegevens niet gezorgd voor twijfel aan het door die verzekeringsartsen weergegeven medisch oordeel.

4.2. De door appellante in geding gebrachte gegevens hebben betrekking op een wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van een conversiestoornis op hersenactiviteit bij de beoordeling van emotionele plaatjes, verricht op de Radboud Universiteit in Nijmegen, en op een in het Universitair Medisch Centrum Groningen verricht onderzoek naar cerebrale activatiepatronen bij conversieve verlammingen. Zoals de gemachtigde van appellante in het aanvullend beroepschrift al heeft opgemerkt, gaat het hier om algemene, niet op de persoon van appellante toegespitste informatie. Bovendien blijkt uit die informatie dat in beide onderzoeken de groep patiënten met een conversiestoornis wordt vergeleken met ten minste één andere groep, die bestaat uit personen zonder conversiestoornis. Verdere informatie, over bijvoorbeeld de wijze waarop de screening voor het kunnen meedoen aan deze onderzoeken heeft plaatsgevonden, ontbreekt. Uit deze informatie kan niet de conclusie worden getrokken dat het toestandsbeeld van appellante is gediagnosticeerd als een conversiestoornis.

4.3. Zoals in het verweerschrift terecht is opgemerkt is de rechtbank niet voorbij gegaan aan de door appellante in geding gebrachte medische informatie van haar huisarts en de behandelend revalidatiearts, maar heeft die informatie niet tot een ander standpunt geleid. De in de aangevallen uitspraak gegeven motivering, waarom die informatie niet wordt gevolgd, wordt onderschreven. De rechtbank heeft verder goed beargumenteerd overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts op navolgbare wijze heeft gemotiveerd waarom hij is uitgegaan van de diagnose somatisatiestoornis. Kort gezegd heeft de bezwaarverzekeringsarts de diagnose mogen volgen, zoals die is gesteld door de behandelend psychiater tijdens het door appellante gevolgde, in 1.1 genoemde, programma. Nu ook de door appellante in geding gebrachte gegevens, zoals besproken in 4.2 geen aanleiding geven voor twijfel aan de door de verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 18 maart 2010 vastgelegde en voor appellante per 10 februari 2010 geldende beperkingen tot het verrichten van arbeid, slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2013.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) K.E. Haan

sg