Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2450

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2013
Datum publicatie
15-11-2013
Zaaknummer
12-559 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eenmalige mobiliteitstoeslag. Het belang van de (Belasting)dienst met het vertrek van betrokkene uit het kantoor Utrecht werd gediend, zodat is voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een mobiliteitstoeslag. Anders dan appellant heeft betoogd, kan aan de omstandigheid dat betrokkene heeft ingestemd met haar verplaatsing en geen afzonderlijk bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat daarom toepassing is gegeven aan artikel 57, eerste lid, van het ARAR, niet de gevolgtrekking worden verbonden dat het belang van de dienst de verplaatsing niet vorderde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/65
ABkort 2013/435
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/559 AW

Datum uitspraak: 14 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

16 december 2011, 11/1711 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Staatssecretaris van Financiën (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S.E. de Jong een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2013. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F. Scheffer. Betrokkene is verschenen met bijstand van mr. De Jong.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is sinds 1987 werkzaam bij de Belastingdienst, laatstelijk in de functie van behandelfunctionaris groepsfunctie I. Bij besluit van 29 september 2010 is zij met toepassing van artikel 57, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 1 september 2010 verplaatst van de Unit Zeer Grote Ondernemingen (ZGO), kantoor Utrecht, naar de Unit Middelgrote Ondernemingen (MGO), kantoor Amersfoort. Daarbij is bepaald dat zij geen recht heeft op een mobiliteitstoeslag. Het bezwaar tegen dat besluit is bij besluit van 15 februari 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 29 september 2010 herroepen en bepaald dat betrokkene een eenmalige mobiliteitstoeslag van 50% van haar salaris toekomt.

2.2. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van betrokkene sprake is geweest van een dienstbelang voor de belastingdienst bij verplaatsing van betrokkene naar Amersfoort en niet uitsluitend van een persoonlijk belang bij betrokkene. Verplaatsing van betrokkene van het ene kantoor naar het andere was in dit geval in het belang van de dienst, omdat het conflict met haar leidinggevende was opgelost doordat zij bereid was om naar Amersfoort te gaan, aldus de rechtbank. Niet is weersproken dat het initiatief tot verplaatsing in eerste instantie van de leidinggevende van betrokkene kwam. De rechtbank acht niet van doorslaggevend belang dat het kantoor in Amersfoort niet specifiek om betrokkene heeft verzocht.

3.

Appellant heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat in het geval van betrokkene niet is voldaan aan de eis voor het verkrijgen van een mobiliteitstoeslag, inhoudende dat sprake is van een primair dienstbelang. Daarbij gaat het niet om elk willekeurig dienstbelang, maar het belang van de dienst dat ligt in het opdragen van ‘juist die andere functie’. Dat met de verplaatsing van betrokkene het conflict met haar leidinggevende was opgelost is volgens appellant ontoereikend om een primair dienstbelang aanwezig te achten. Appellant heeft verder betoogd dat de mobiliteitstoeslag moet worden gezien als een financiële bonus om de medewerker te stimuleren om op die andere functie te gaan zitten, en niet bedoeld is als een soort algemene verplaatsingsvergoeding. In het geval van betrokkene kan de suggestie van de leidinggevende om ergens anders te gaan werken niet worden aangemerkt als een initiatief om tot invulling te komen van een primair dienstbelang volgens artikel 22c van het BBRA. Het is slechts een vrijblijvend voorstel om weg te gaan. De functie in Amersfoort was verder niet vacant gesteld; het ging om een plaatsing op een vrije werkplek. Appellant acht ten slotte van belang dat de verplaatsing blijkens het besluit van 29 september 2010 op aanvraag van de ambtenaar heeft plaatsgevonden en dat betrokkene daartegen geen bezwaar heeft gemaakt.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 22c van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA), voor zover hier van belang, heeft de ambtenaar, aan wie op grond van artikel 57, eerste lid of tweede lid, onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement een andere functie wordt opgedragen, waarbij het belang van de dienst is gelegen in het opdragen van juist die andere functie, recht op een eenmalige mobiliteitstoeslag ter grootte van 50% van zijn salaris, tenzij zijn salaris met ingang van de datum waarop die andere functie wordt opgedragen om die reden wordt verhoogd.

4.2.

Appellant had ten tijde hier van belang met betrekking tot de mobiliteitstoeslag een eigen beleid voor belastingambtenaren ontwikkeld, dat is opgenomen in hoofdstuk 4, onderdeel 1.9.2 van het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB). Dit beleid is in een aantal opzichten begunstigend ten opzichte van artikel 22c van het BBRA. Zo is onder punt 5 van onderdeel 1.9.2 bepaald: ”Bij een verplaatsing naar een andere eenheid met behoud van de oorspronkelijke functie wordt niet voldaan aan de voor de toekenning van een mobiliteitstoeslag geldende voorwaarde dat er sprake moet zijn van het opdragen van een andere functie. Desondanks bestaat in het geval sprake is van een primair dienstbelang aanleiding ook in zo’n geval een mobiliteitstoeslag toe te kennen op basis van de bestuurlijke overweging dat geografische mobiliteit een nadrukkelijke stimulans behoeft”.

4.3.

Betrokkene heeft bij haar overplaatsing van Utrecht naar Amersfoort haar functie behouden, zodat het bij haar verplaatsing gaat om geografische mobiliteit als bedoeld in hoofdstuk 4, onderdeel 1.9.2, punt 5, van het RVPB.

4.4.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn opvatting dat het RPVB, gelezen in samenhang met artikel 22c van het BBRA, vereist dat het belang van de dienst ligt in het opdragen van ‘juist die andere functie’. In het geval van betrokkene gaat het niet om het opdragen van een andere functie als bedoeld in artikel 22c van het BBRA, maar om geografische mobiliteit. In dit verband is van belang dat onder punt 3, tweede gedachtestreepje, van onderdeel 1.9.2 van het RVPB is vermeld dat sprake moet zijn van een andere functie “waarbij het belang van de dienst is gelegen in het opdragen van juist die andere functie en/of geografische mobiliteit”. Uit deze laatste zinsnede kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat het dienstbelang in zo’n geval in die geografische mobiliteit moet zijn gelegen.

4.5.

Voor de stelling van appellant dat ook bij geografische mobiliteit vereist is dat er een dienstbelang is om de betreffende functie bij het ontvangende kantoor te gaan vervullen en dat de toeslag niet is bedoeld om iemand van een bepaalde werkplek weg te krijgen, biedt de aangehaalde tekst van het RVPB geen steun. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 21 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:BZ1889), behoort het feit dat niet is aangetoond dat er tevens een dienstbelang was bij het kantoor waarnaar de betrokken medewerker is overgeplaatst, maar eerst en vooral bij het kantoor waarvandaan deze is vertrokken, geen beletsel te vormen voor toekenning van de mobiliteitstoeslag. Juist in geval van geografische mobiliteit zoals hier aan de orde, ligt in beginsel een bredere blik dan alleen die op de nieuwe werkplek voor de hand en moet het belang van de organisatie als geheel in beschouwing worden genomen. Daarom kan in het midden blijven of het kantoor Amersfoort ook in het bijzonder om de komst van betrokkene heeft verzocht.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat zich tussen betrokkene en haar leidinggevende een meningsverschil over het werk heeft voorgedaan en dat de leidinggevende betrokkene enige tijd daarna in een gesprek heeft voorgesteld om op een ander kantoor te gaan werken. Daarbij heeft de leidinggevende in eerste instantie een werkplek in Hilversum als mogelijkheid genoemd. Betrokkene stond aanvankelijk afwijzend tegenover verplaatsing, maar heeft later hiermee alsnog ingestemd. Betrokkene is vervolgens ingegaan op het verzoek van de leiding van de regio Utrecht/Gooi om te gaan praten over een werkplek op de unit MGO, kantoor Amersfoort, omdat daar op korte termijn een plek vervuld moest worden in verband met het vertrek van een medewerker wegens prepensioen. Dit heeft geleid tot haar verplaatsing naar Amersfoort.

4.7.

Op grond van 4.6 wordt geoordeeld dat het belang van de (Belasting)dienst met het vertrek van betrokkene uit het kantoor Utrecht werd gediend, zodat is voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een mobiliteitstoeslag. Anders dan appellant heeft betoogd, kan aan de omstandigheid dat betrokkene heeft ingestemd met haar verplaatsing en geen afzonderlijk bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat daarom toepassing is gegeven aan artikel 57, eerste lid, van het ARAR, niet de gevolgtrekking worden verbonden dat het belang van de dienst de verplaatsing niet vorderde.

4.8.

Uit 4.3 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Er is aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 944,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 454,-;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van

€ 944,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) S.K. Dekker

HD