Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2445

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2013
Datum publicatie
15-11-2013
Zaaknummer
12-2812 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag. Evenals de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van buitensporige werkomstandigheden. Dat de werkgever hier in gebreke is gebleven met betrekking tot het optreden tegen seksuele intimidatie is in het geheel niet gebleken. Appellante is verder blijkens de gedingstukken goed begeleid tijdens haar ziekteperiode, er is voldoende contact geweest met haar leidinggevende en er zijn voldoende re-integratie inspanningen verricht. Toen appellante stelde dat zij zich op haar oude afdeling onveilig voelde, zijn haar andere werkzaamheden aangeboden. Op de nieuwe afdeling voelde appellante zich echter wederom onveilig, terwijl hiervoor geen objectieve grond is gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2812 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 4 april 2012, 11/2131 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de directie van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (directie)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. V.M. Weski, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De directie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Weski. De directie heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H. Pasman en mr. M.E.C.M. Paumen.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Volstaan wordt met het volgende.

1.1.

Appellante was sinds 1988 in dienst bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW), laatstelijk in de functie van [naam functie] (schaal 7) bij de afdeling [naam afdeling]. In de periode van 2003 tot 2007 is zij regelmatig uitgevallen wegens ziekte. In juni 2007 is appellante volledig arbeidsongeschikt geworden wegens toenemende psychische klachten. Bij de begeleiding tijdens deze ziekteperiode is door de bedrijfsarts steeds geconcludeerd dat er vanwege de ziekte van appellante geen mogelijkheden waren voor re-integratie.

1.2.

Eind januari 2009 heeft de bedrijfsarts gemeld dat er bij appellante sprake was van geschonden vertrouwen in collega’s en leidinggevenden. Om die reden heeft de re-integratie van appellante zich gericht op werkzaamheden buiten haar eigen afdeling. Vanaf 31 maart 2009 tot haar ziekmelding op 15 januari 2010 heeft appellante werkzaamheden verricht op de afdeling communicatie. Per 1 augustus 2009 is zij aangewezen als herplaatsingskandidaat als gevolg van een reorganisatie van de afdeling [naam afdeling]. In januari 2010 is appellante wegens ziekte uitgevallen en was zij in de periode daarna niet belastbaar voor werkzaamheden. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft in juli 2010 een deskundigenoordeel uitgebracht, inhoudende dat appellante per 1 juni 2010 ongeschikt is te achten voor haar eigen werk en dat herstel niet binnen een half jaar is te verwachten.

1.3.

Bij besluit van 26 juli 2010 heeft de directie appellante eervol ontslag verleend met ingang van 1 augustus 2010 op grond van artikel 139, eerste lid, aanhef en onder f, van het Rechtspositiereglement RDW. Bij besluit van 14 januari 2011 (bestreden besluit) heeft de directie het bezwaar tegen dit ontslag ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Tussen partijen is de grondslag van het ontslag, namelijk langdurige ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte, niet in geschil. Appellante is echter van mening dat dit ontslag op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gepaard had moeten gaan met een compensatie van € 52.500,-, op de grond dat haar arbeidsongeschiktheid in overwegende mate is te wijten aan de werkgever. Aangevoerd is dat de zorgplicht is geschonden. Appellante stelt dat er onvoldoende contact met haar is onderhouden tijdens haar ziekteperiode en dat er niet adequaat is gereageerd op de door appellante gestelde schending van vertrouwen. Verder zou er sprake zijn geweest van seksuele intimidatie en pestgedrag op de afdeling waar appellante werkte, waarop onvoldoende zou zijn gereageerd. Er is volgens appellante niet voldaan aan de plicht tot het scheppen van een veilige werkomgeving.

3.2.

Van de zijde van de directie is, samengevat, het volgende aangevoerd. De begeleiding bij de ziekte van appellante is op normale en prettige wijze verlopen en er is voldoende contact geweest met de leidinggevende. Toen in 2009 bekend werd dat appellante geen vertrouwen meer had in de collega’s en leidinggevenden van haar oude afdeling zijn haar werkzaamheden op een andere afdeling aangeboden, welke werkzaamheden zij ook een aantal maanden heeft verricht. Toen appellante zich ook op deze nieuwe werkplek onveilig ging voelen stagneerde de re-integratie. Pas bij de hoorzitting in bezwaar heeft appellante haar stellingen met betrekking tot een onveilige werkomgeving nader onderbouwd. De overbelasting van appellante werd veroorzaakt door privéproblemen. Er waren geen ziekmakende werkomstandigheden.

3.3.

Volgens vaste rechtspraak geldt met betrekking tot psychische klachten dat de in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren die de arbeidsongeschiktheid zouden hebben veroorzaakt moeten worden geobjectiveerd. Verder zal, wanneer de ziekte in sterkere mate van psychische aard is, in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief bezien - een buitensporig karakter dragen. Het ligt daarbij op de weg van de betrokkene om voldoende feiten aan te dragen ter onderbouwing van de stelling dat sprake is van werk of werkomstandigheden die

- objectief gezien - een buitensporig karakter dragen (CRvB 10 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT3543 en TAR 2005,80; CRvB 2 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI0646).

3.4.

Evenals de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van buitensporige werkomstandigheden in voornoemde zin. Dat de werkgever hier in gebreke is gebleven met betrekking tot het optreden tegen seksuele intimidatie is in het geheel niet gebleken. Appellante is verder blijkens de gedingstukken goed begeleid tijdens haar ziekteperiode, er is voldoende contact geweest met haar leidinggevende en er zijn voldoende re-integratie inspanningen verricht. Toen appellante stelde dat zij zich op haar oude afdeling onveilig voelde, zijn haar andere werkzaamheden aangeboden. Op de nieuwe afdeling voelde appellante zich echter wederom onveilig, terwijl hiervoor geen objectieve grond is gebleken.

4.

Gezien hetgeen onder 3.3 en 3.4 is overwogen, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en E.J.M. Heijs en

C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) O.P.L. Hovens

HD