Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2442

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
11-3186 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de stichting een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de tussen partijen ontstane impasse. Hierbij acht de Raad van belang dat, zoals ook in de tussenuitspraak is overwogen, pas na de beslissing op het bezwaar tegen het ontslagbesluit duidelijk is geworden dat appellant indertijd als gevolg van ziekte niet geschikt kon worden geacht voor zijn eigen werk. Anders dan appellant heeft aangevoerd, kan de stichting niet worden tegengeworpen dat zij, bij haar pogingen om samen met appellant tot een oplossing te komen in de periode voorafgaand aan het ontslagbesluit, niet tot uitgangspunt heeft genomen dat sprake was van een zieke werknemer waarvoor re-integratieverplichtingen golden. Hoewel ook het aandeel van de betrokken ambtenaar bij een dergelijke beoordeling van belang is, volgt uit het voorgaande niet dat in dit geval het ontstaan en voortbestaan van de impasse overwegend aan appellant moet worden toegeschreven, maar slechts dat aan de grondvoorwaarde voor toekenning van een aanvullende ontslagvergoeding niet is voldaan. Vernietiging besluit voor zover het de primaire ontslaggrond betreft. De Raad zal het ontslagbesluit van 5 februari 2010 in zoverre herroepen. Het bestreden besluit houdt wel stand voor zover het de subsidiaire ontslaggrond betreft. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/421
TAR 2014/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3186 AW

Datum uitspraak: 14 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

16 mei 2011, 10/4349 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Stichting Openbaar Onderwijs - Regio Alphen aan den Rijn (stichting)

PROCESVERLOOP

Bij tussenuitspraak van 14 februari 2013, 11/3186 AW-T, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1277 (tussenuitspraak) heeft de Raad de stichting opgedragen om binnen tien weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 20 mei 2010 (bestreden besluit) te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Bij brief van 18 april 2013 heeft de stichting uitvoering gegeven aan de tussenuitspraak.

Appellant heeft hierop bij schrijven van 6 mei 2013 zijn zienswijze gegeven.

Nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2013. Appellant is verschenen. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door J.W. Hamberg en mr. J. Schutter, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en de tussenuitspraak. Hieraan voegt de Raad het volgende toe.

1.2. De stichting heeft appellant bij besluit van 5 februari 2010 ontslag verleend, primair met ingang van 1 maart 2010 met toepassing van artikel 4.7, aanhef en onder g, van de CAO Primair Onderwijs (CAO PO) wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van zijn functie anders dan wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid en subsidiair met toepassing van artikel 4.7, aanhef en onder k, van de CAO PO wegens redenen van gewichtige aard.

1.3. In de tussenuitspraak heeft de Raad vastgesteld dat gebleken is dat de ongeschiktheid van appellant voor zijn functie als groepsleerkracht een gevolg is van ziekte of gebrek en dat deze situatie zich ten tijde van het primaire ontslagbesluit al voordeed. De Raad heeft overwogen, voornamelijk onder 5.3 tot en met 5.6, dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de primaire ontslaggrond, geen stand kan houden. De Raad heeft de stichting opdracht gegeven om een gemotiveerde keuze te maken tussen handhaving van de subsidiaire ontslaggrond en ontslag wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid.

1.4. Bij schrijven van 18 april 2013 heeft de stichting kenbaar gemaakt dat zij het ontslag wegens redenen van gewichtige aard handhaaft, omdat ten tijde van het ontslag sprake was van een ernstige verstoring van de arbeidsverhoudingen die heeft geresulteerd in een uitzichtloze situatie. Partijen zijn het eens over het feit dat appellant niet meer geschikt is om zijn functie als groepsleraar uit te oefenen. Achteraf is gebleken dat dit het gevolg is van de medische beperkingen van appellant. Echter, de voortdurende discussie tussen partijen over de consequenties daarvan voor de werkzaamheden en aanstelling van appellant heeft de verhouding zodanig verstoord dat de stichting het niet langer zinvol acht de arbeidsrelatie in welke vorm dan ook voort te zetten. Tot op heden ontbreekt het vertrouwen in een oplossing. Ook appellant heeft laten blijken geen vertrouwen meer te hebben in de stichting. De stichting ziet geen aanleiding voor een aanvullende ontslagvergoeding omdat zij naar haar mening geen overwegend aandeel heeft in het ontstaan van de reden voor het ontslag.

1.5. Appellant heeft in zijn reactie van 6 mei 2013, aangevuld ter zitting, opgemerkt dat er geen sprake is van een arbeidsconflict, maar dat de stichting zich onvoldoende heeft ingezet voor zijn re-integratie naar aangepast werk binnen de stichting, bijvoorbeeld een functie als leerkracht zonder lesgevende taken. Er bestond verschil van mening over de verplichtingen van de stichting tijdens de re-integratie van appellant. Volgens appellant was de stichting niet bevoegd om hem te ontslaan op de gekozen gronden. De stichting heeft appellant onder druk gezet om akkoord te gaan met voorstellen om het dienstverband te beëindigen. Als al van een verstoorde arbeidsverhouding sprake is, dan heeft appellant deze niet veroorzaakt, aangezien hij zich volledig heeft ingezet voor een oplossing. Appellant acht de stichting de hoofdverantwoordelijke voor het verlies van zijn baan, van zijn slechte gezondheidstoestand en zijn financiële situatie. Appellant kan de druk en verantwoordelijkheid van werk niet meer aan. Hij heeft de Raad verzocht het ontslagbesluit ongedaan te maken, te bepalen dat de stichting zijn eventuele uitkering aanvult tot zijn volledige salaris en met pensioenopbouw, zonder dat werkzaamheden worden verlangd en om zijn (proces)kosten en letselschade te vergoeden.

2.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld en gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen kan het ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van de functie anders dan wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid, geen stand houden. Nu de rechtbank het ontslag op de primaire grond ten onrechte houdbaar heeft geoordeeld, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

2.2.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad beoordelen of het ontslag op de subsidiaire grond, zijnde ontslag wegens redenen van gewichtige aard, in rechte stand kan houden.

2.3.

De stichting heeft de brief van 18 april 2013 aangeduid als nieuwe beslissing op bezwaar. Gelet op de inhoud daarvan dient deze brief aangemerkt te worden als nadere motivering van het bestreden besluit voor zover daarbij de subsidiaire ontslaggrond is gehandhaafd. De brief van 18 april 2013 zal dan ook als zodanig bij de behandeling van dit hoger beroep worden meegenomen.

2.4.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 25 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8754) kan een ontslag wegens gewichtige redenen ook worden gegeven als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband daarom redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd.

2.5.

De bedrijfsarts heeft op 4 november 2009 geconcludeerd dat tussen de stichting en appellant al twee jaar sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie en appellant op dat moment niet arbeidsongeschikt is als gevolg van ziekte of gebrek. Niettemin blijkt uit de gedingstukken dat ten tijde van het ontslagbesluit voor beide partijen al langere tijd duidelijk was dat appellant zijn lesgevende taken niet meer kon uitvoeren. Partijen hebben uitvoerig overleg gehad over mogelijke oplossingen, waarbij rekening zou worden gehouden met zijn beperkingen. Op advies van de bedrijfsarts is plaatsing bij een andere schoolorganisatie of in een functie buiten het onderwijs besproken. Appellant heeft op kosten van de stichting een trainingstraject bij Skills gevolgd ter verbetering van zijn communitieve vaardigheden en er hebben verschillende gesprekken over zijn situatie plaats gevonden. Appellant heeft tijdens die gesprekken laten blijken dat hij erg sterk hecht aan zijn aanstelling als leerkracht en hij acht zichzelf niet in staat om buiten het onderwijs werkzaam te zijn. In de gesprekken met de stichting heeft appellant herhaaldelijk aan de orde gesteld dat hij wel andere functies binnen de stichting zou willen uitvoeren als leraar zonder lesgevende taken, bijvoorbeeld als intern begeleider (IB-er) of ICT-er. De stichting heeft gemotiveerd waarom zij genoemde functies niet geschikt acht voor hem. Een IB-er werkt wel primair als leerkracht en wordt daarnaast belast met de vormgeving van het onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsproblemen, dan wel met de begeleiding van andere leerkrachten die moeite hebben met het onderwijs aan dergelijke leerlingen. Van bijzondere bekwaamheden van appellant op het gebied van ICT is niet gebleken. Ook gelet op de aard van de problemen in het functioneren van appellant op het gebied van communicatie, het omgaan met conflictsituaties en ontstane spanningsproblemen, acht de stichting de genoemde functies niet geschikt voor appellant. Appellant heeft echter onveranderd vastgehouden aan zijn standpunt dat zijn dienstverband dient te worden voortgezet en dat de stichting aan hem als leerkracht zonder lesgevende taken passende werkzaamheden moet opdragen. Binnen de stichting zijn geen (andere) passende functies beschikbaar en partijen hebben vervolgens enige tijd tevergeefs geprobeerd om tot overeenstemming te komen over de voorwaarden waaronder het dienstverband met wederzijds goedvinden zou kunnen worden beëindigd.

2.6.

Met de stichting is de Raad van oordeel dat ten tijde van het ontslagbesluit sprake was van een in de loop der tijd ontstane impasse die aan een vruchtbare verdere samenwerking in de weg stond. Van het uitoefenen van ongeoorloofde druk door de stichting om met voorstellen voor het beëindigen van het dienstverband akkoord te gaan, is de Raad niet gebleken.


2.7. Gelet op het vorenstaande was de stichting bevoegd om appellant ontslag te verlenen op grond van artikel 4.7, aanhef en onder k, van de CAO PO.

2.8.

In verband met het ontslag is aan appellant een WW-uitkering en een bovenwettelijke uitkering toegekend tot de pensioengerechtigde leeftijd. Daarnaast heeft de stichting zich bereid getoond om de kosten van een outplacementtraject te betalen tot een bedrag van

€ 5.000,- exclusief btw. Voor de vraag of de stichting bij het gebruik maken van deze bevoegdheid kon volstaan met de toegekende minimumgarantie, is van belang welk aandeel beide partijen hebben gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoring van de arbeidsrelatie. Volgens vaste rechtspraak is een minimumgarantie onvoldoende als komt vast te staan dat het bestuursorgaan daarin een overwegend aandeel heeft gehad, of als een uitkering op minimumniveau gezien de omstandigheden van het geval niet redelijk kan worden geacht (CRvB 9 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO8173).

2.9.

De Raad ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de stichting een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de tussen partijen ontstane impasse. Hierbij acht de Raad naast hetgeen onder 2.5 is overwogen van belang dat, zoals ook in de tussenuitspraak is overwogen, pas na de beslissing op het bezwaar tegen het ontslagbesluit duidelijk is geworden dat appellant indertijd als gevolg van ziekte niet geschikt kon worden geacht voor zijn eigen werk. Anders dan appellant heeft aangevoerd, kan de stichting niet worden tegengeworpen dat zij, bij haar pogingen om samen met appellant tot een oplossing te komen in de periode voorafgaand aan het ontslagbesluit, niet tot uitgangspunt heeft genomen dat sprake was van een zieke werknemer waarvoor re-integratieverplichtingen golden. Hoewel ook het aandeel van de betrokken ambtenaar bij een dergelijke beoordeling van belang is, volgt uit het voorgaande niet dat in dit geval het ontstaan en voortbestaan van de impasse overwegend aan appellant moet worden toegeschreven, maar slechts dat aan de grondvoorwaarde voor toekenning van een aanvullende ontslagvergoeding niet is voldaan.


2.10. Het voorgaande leidt ertoe dat het bestreden besluit moet worden vernietigd voor zover het de primaire ontslaggrond betreft. De Raad zal het ontslagbesluit van 5 februari 2010 in zoverre herroepen. Het bestreden besluit houdt wel stand voor zover het de subsidiaire ontslaggrond betreft.


3.1. Het verzoek van appellant om, indien het ontslag in stand blijft, de stichting te veroordelen tot betaling van een letselschadevergoeding in verband met blijvende gehoor- en psychische schade, valt buiten de beoordeling van de rechtmatigheid van het ontslag. Daarom kan de Raad hierop geen beslissing nemen. Appellant kan zich met een dergelijk verzoek wenden tot de stichting.

3.2.

Voor zover appellant heeft willen verzoeken de stichting te veroordelen tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht komt dat verzoek, gelet op de onder 2.10 vermelde conclusie, evenmin voor inwilliging in aanmerking.

4.

Er is aanleiding de stichting te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 472,- wegens in beroep verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 20 mei 2010 gegrond voor zover het de primair

toegepaste ontslaggrond betreft, en vernietigt dat besluit in zoverre;

  • -

    herroept het besluit van 5 februari 2010 voor zover het die primaire ontslaggrond betreft;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 20 mei 2010 voor zover het de subsidiaire

ontslaggrond betreft ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

  • -

    bepaalt dat de stichting aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 377,- vergoedt;

- veroordeelt de stichting in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 472,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

J.Th. Wolleswinkel en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) S.K. Dekker

HD