Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2431

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
12-5614 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering voorschotten WW-uitkering. Ter bepaling van de inkomsten als bedoeld in artikel 35aa, eerste lid van de WW, is terecht geen rekening gehouden met de zogeheten MKB-winstvrijstelling. Wanneer bij verandering van wetgeving geen specifieke voorschriften van overgangsrecht zijn gegeven, de aanspraken en verplichtingen van een verzekerde dienen te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de aanspraken of verplichtingen betrekking hebben. Hieruit volgt dat op de berekening van de hoogte van de WW-uitkering van appellant in de periode van 7 juli 2008 tot en met 4 januari 2009, het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW van toepassing was. Dit Besluit voorzag niet in het betrekken van de MKB-winstvrijstelling in de berekening van de inkomsten uit arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5614 WW

Datum uitspraak: 13 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van

7 september 2012, 12/2153 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam gemachtigde] hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 3 oktober 2013. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, aan wie een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) was toegekend, heeft bij besluit van 4 juli 2008 van het Uwv toestemming gekregen om gedurende de periode 7 juli 2008 tot en met 4 januari 2009, met behoud van uitkering, werkzaamheden te gaan verrichten in zijn eigen bedrijf. Daarbij is bepaald dat een WW-uitkering tijdens een startperiode doorloopt, dat 70% van de inkomsten als zelfstandige op die uitkering in mindering wordt gebracht, dat de uitkering gedurende de startperiode als voorschot wordt betaald en dat na de startperiode een verrekening zou plaatsvinden. Omdat de hoogte van de inkomsten pas na de startperiode bekend zou zijn, zou appellant nader worden geïnformeerd over de verrekening.

1.2. Aan de hand van gegevens die zijn vastgesteld door de Belastingdienst voor het jaar 2008 en 2009 heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant tijdens de in 1.1 genoemde startperiode meer heeft verdiend dan hij heeft geschat en opgegeven. Bij besluit van 23 januari 2012 heeft het Uwv de teveel aan appellant betaalde voorschotten tot een bedrag van € 2.922,27 van hem teruggevorderd. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt en gesteld dat ter bepaling van zijn inkomsten als bedoeld in artikel 35aa, eerste lid van de WW, rekening had moeten worden gehouden met de zogeheten MKB-winstvrijstelling.

1.3. Bij besluit van 29 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv te kennen gegeven dat op zijn situatie het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW (Besluit) van toepassing was ter bepaling van de inkomsten zoals bedoeld in artikel 35aa, eerste lid van de WW en in dat de
MKB-winstvrijstelling niet in de berekening van de inkomsten wordt betrokken.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, uitgaande van een startperiode die liep van 7 juli 2008 tot en met 4 januari 2009, vastgesteld dat ten tijde in geding het Besluit van toepassing was. In dat Besluit werd geen rekening gehouden met de MKB-winstvrijstelling. De wetgever heeft eerst per 1 juli 2009 het Besluit aangepast naar aanleiding van fiscale wijzigingen in 2007. Dit betekent echter niet dat het Uwv mag afwijken van de wijze van berekening als voorgeschreven in de artikelen 2 en 3 van het Besluit. De rechtbank heeft geen dringende reden aanwezig geacht om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

3.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij van mening is dat het Uwv bij de berekening van zijn inkomen over de startperiode wel rekening had moeten houden met de MKB-winstvrijstelling. Volgens appellant is (subsidiair) sprake van ongelijke behandeling in vergelijking met personen die op of na 1 juli 2009 met hun eigen bedrijf zijn aangevangen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. In de periode waarin betrokkene met behoud van WW-uitkering als zelfstandige van start ging, van 7 juli 2008 tot en met 4 januari 2009, was het Besluit van kracht. Het Besluit voorzag niet in het betrekken van de MKB-winstvrijstelling in de berekening van de inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 35aa, tweede lid, van de WW.

4.1.2. Het Inkomstenbesluit Werkloosheidswet dat op 1 juli 2009 in werking is getreden, waarbij het Besluit werd ingetrokken, voorziet met ingang van 1 januari 2010 in een dergelijke regeling. Zowel bij de invoering van het Inkomstenbesluit Werkloosheidswet als bij de latere wijziging daarvan in verband met de MKB-winstvrijstelling is niet voorzien in overgangsrecht.

4.2.

Uit vaste rechtspraak van de Raad, onder andere in de uitspraken van 8 november 1994, ECLI:NL:CRVB:1994:ZB0906, 23 december 1996, ECLI:NL:CRVB:1996:AL0754 en
29 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011: BQ9827, volgt dat, wanneer bij verandering van wetgeving geen specifieke voorschriften van overgangsrecht zijn gegeven, de aanspraken en verplichtingen van een verzekerde dienen te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de aanspraken of verplichtingen betrekking hebben. Hieruit volgt dat op de berekening van de hoogte van de WW-uitkering van appellant in de periode van 7 juli 2008 tot en met 4 januari 2009, het Besluit van toepassing was. Er is daarom geen grond om de MKB-winstvrijstelling in de berekening van de inkomsten uit arbeid te betrekken en het bedrag van de terugvordering te corrigeren, zoals appellant wenst. Tevens volgt hieruit dat appellant gelijk behandeld is als andere werknemers die voor 1 juli 2009 met hun eigen bedrijf zijn aangevangen.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 komt naar voren dat het hoger beroep niet slaagt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) S. Aaliouli

EW