Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2422

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
12-2576 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Geen aanleiding het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts voor onzorgvuldig te houden. De onderzoeksbevindingen van de behandelend psychiater verschillen evident van de bevindingen van de huisarts en de neuroloog. Ook blijkt uit het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts dat deze arts appellant drie dagen voor de onderhavige ziekmelding heeft onderzocht. Bij dit onderzoek is na intensief doorvragen gebleken dat geen sprake was van een manifeste psychopathologie. Volgens de (bezwaar)verzekeringsarts kan met tamelijk grote zekerheid worden gesteld dat in de drie dagen na dit onderzoek geen verandering is opgetreden in de medische situatie van appellant, omdat geen sprake is geweest van een opname of anderszins in deze periode. Deze inzichtelijk gemotiveerde toelichting wordt, mede gelet op de omstandigheid dat in hoger beroep geen nadere medische gegevens zijn overgelegd, overtuigend geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2576 ZW

Datum uitspraak: 13 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 maart 2012, 11/3652 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2013. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, voorheen werkzaam als begeleider en opvangmedewerker bij een asielzoekerscentrum voor 32 uur per week, heeft zich vanuit een situatie dat hij uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving op 20 februari 2007 ziek gemeld vanwege hoofdpijn en nekklachten.

1.2. Bij besluit van 19 november 2007 heeft het Uwv het besluit van 8 oktober 2007 gehandhaafd waarbij aan appellant is meegedeeld dat hij vanaf 8 oktober 2007 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid en daarom met ingang van die datum geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).

1.3. De rechtbank heeft bij uitspraak van 11 augustus 2008 het tegen het besluit van

19 november 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van

4 mei 2010 (08/5659 ZW) voormelde uitspraak van de rechtbank bevestigd.

2.

Bij brief van 5 september 2010 heeft appellant zich met terugwerkende kracht ziek gemeld per 15 november 2007.

2.1.

Bij besluit van 7 april 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die ertoe leiden dat het besluit van 8 oktober 2007 onjuist zou zijn. Het Uwv heeft appellant meegedeeld dat daarom besloten is om niet terug te komen van het besluit van 8 oktober 2007. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt waarbij is betoogd dat het Uwv niet de hersteldmelding per 8 oktober 2007, maar de ziekmelding per

15 november 2007 had moeten beoordelen. Het betreft volgens appellant dan ook geen nieuwe aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2.

Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van

27 september 2011 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van

7 april 2011 ongegrond verklaard en appellant meegedeeld dat hij met ingang van

15 november 2007 in staat wordt geacht zijn arbeid te verrichten.

3.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

4.

In hoger beroep heeft appellant - kort weergegeven - aangevoerd dat er meer waarde moet worden gehecht aan het oordeel van de behandelend psychiater S. Gülsaçan, die appellant immers in behandeling heeft gehad. De door deze psychiater gestelde diagnose moet dan ook voor juist worden gehouden.

5.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2.

Er bestaat geen aanleiding het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts voor onzorgvuldig te houden. Daarbij wordt van belang geacht dat de informatie van de behandelend psychiater van 23 juni 2008, aangevuld bij brief van 25 maart 2010, door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts bij de beoordeling is betrokken. Uit deze informatie blijkt dat de diagnose depressieve stoornis in engere zin met vitale en melancholische kenmerken is gesteld en dat deze diagnose betrekking heeft op de periode september tot en met oktober 2007. In het rapport van 9 september 2011 heeft de bezwaarverzekeringsarts te kennen gegeven dat, zoals ook de verzekeringsarts had geconstateerd, de onderzoeksbevindingen van de behandelend psychiater evident verschillen van de bevindingen van de huisarts en de neuroloog. Uit de informatie van deze artsen blijkt dat bij appellant in juli 2007 sprake was van spierspanningshoofdpijn, waarbij mogelijk een relatie bestaat tussen deze klachten en stressfactoren thuis. Ook blijkt uit het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot het onder 1.2 genoemde besluit, dat deze arts appellant drie dagen voor de onderhavige ziekmelding heeft onderzocht. Bij dit onderzoek is na intensief doorvragen gebleken dat geen sprake was van een manifeste psychopathologie. Volgens de (bezwaar)verzekeringsarts kan dan ook met tamelijk grote zekerheid worden gesteld dat in de drie dagen na dit onderzoek geen verandering is opgetreden in de medische situatie van appellant, omdat geen sprake is geweest van een opname of anderszins in deze periode. Deze inzichtelijk gemotiveerde toelichting wordt, mede gelet op de omstandigheid dat in hoger beroep geen nadere medische gegevens zijn overgelegd, overtuigend geacht. Hieruit volgt dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant met ingang van

15 november 2007 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de ZW.

6.

Hetgeen onder 5.2 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.

7.

Voor een proceskostenbeoordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en R.E. Bakker en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) I.J. Penning

TM