Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2412

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
10-6247 AKW-T + 10-6248 AKW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Geen recht op kinderbijslag. Terugvordering. De Svb heeft ten onrechte de conclusie getrokken dat de kinderen [N.] en [R.] niet bestaan en dat zij de identiteit en geboortedata hebben overgenomen van de kinderen [S.] en [F.]. Voorts heeft de Svb op geen enkele manier onderzocht of de kinderen voldeden aan de voorwaarden voor aanspraak op kinderbijslag voor kinderen van 16en 17 jaar. Onzorgvuldige voorbereiding. De Raad draagt het Svb op de gebreken in de besluiten te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/398
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6247 AKW-T, 10/6248 AKW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 oktober 2010, 10/737 en 10/4586 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. van den Buijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 september 2011 heeft mr. Van den Buijs nog enige stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 10/443 AKW, plaatsgevonden op

19 april 2013. Appellant is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van den Buijs en de Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y van den Berg. Tevens was aanwezig als tolk H. Bassit. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst.

De Raad heeft vervolgens het onderzoek in deze procedure heropend en heeft de Svb in de gelegenheid gesteld aanvullende informatie in het geding te brengen.

Bij brief van 7 augustus 2013 heeft de Svb nadere stukken in het geding gebracht.

Mr. van den Buijs heeft bij brief van 17 juni 2013 ook enige stukken aan de Raad gezonden.

Partijen hebben vervolgens toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is gehuwd met [naam echtgenote]. Hij heeft kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangen van de Svb voor onder meer de kinderen [N.] en [R.]. Daarbij is de Svb er op grond van kennelijk door appellant overgelegde documenten vanuit gegaan dat deze kinderen zijn geboren op respectievelijk [in] 1991 en

[in] 1992.

1.2. Naar aanleiding van een ontvangen brief heeft de Svb in 2008 in Marokko een onderzoek laten verrichten naar het bestaan van de kinderen [N.] en [R.]. In een rapport van de Attaché van Sociale Zaken te Marokko van 2 juli 2008 is vermeld dat een zwager van appellant heeft verklaard dat [S.] en [F.] de echte namen zijn van de kinderen[N.] en[R.] en dat zij zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] 1987 en 8 juni 1988. Voorts heeft de zwager verklaard dat appellant in 1985 gehuwd is met [naam echtgenote] en dat hij in 1988 van haar is gescheiden om in Nederland te kunnen trouwen voor het verkrijgen van een vergunning tot verblijf. In 1993 heeft appellant een huwelijksbevestiging gekregen van de Marokkaanse autoriteiten. Ten aanzien van [S.] is tijdens het onderzoek vastgesteld dat hij bij de burgerlijke stand is ingeschreven in het stamregister van het jaar 1987 aktenummer 51, als geboren op [geboortedatum] 1987, met vermelding van [T.] als zijn vader en

[naam echtgenote] als zijn moeder. Ten aanzien van[F.] heeft geen onderzoek bij de burgerlijke stand plaatsgevonden, omdat van haar slechts een vaccinatiebewijs beschikbaar was. Verder is volgens het onderzoeksrapport gebleken dat de kinderen [N.] en [R.] via een rechterlijke uitspraak van 3 augustus 1993 zijn bijgeschreven in het stamregister met de hiervoor genoemde geboortedata.

1.3. Na kennisneming van dit rapport heeft de Svb bij besluit van 10 november 2008 de betaling van kinderbijslag voor [N.] en [R.] met ingang van het derde kwartaal van 2008 geschorst.

1.4. Bij besluit van 11 mei 2009 heeft de Svb meegedeeld dat uit onderzoek is gebleken dat de kinderen [N.] en [R.] niet bestaan en dat zij de identiteit en geboortedata hebben overgenomen van de kinderen [S.] en [F.], geboren op respectievelijk [geboortedatum] 1987 en

8 juni 1988. Voorts heeft de Svb besloten dat geen recht op kinderbijslag meer bestaat voor deze kinderen na de kwartalen waarin zij de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt, zijnde voor [S.][N.] vanaf het tweede kwartaal van 2003 en voor[F.]/[R.] vanaf het derde kwartaal van 2004. Daarbij is overwogen dat de kinderen niet schoolgaand zijn geweest vanaf hun 16e verjaardag.

1.5. Namens appellant is in bezwaar tegen dit besluit - onder meer - aangevoerd dat [N.] en [R.] wel bestaan en dat appellant alle noodzakelijke officiële documenten over deze kinderen aan de Svb ter hand heeft gesteld.

1.6. Bij besluit van 24 december 2009 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. De Svb heeft daartoe overwogen dat de kinderen [S.] en [F.] bestaan en dat zij de identiteit en geboortedata hebben overgenomen van [N.] en [R.]. Volgens de Svb bestaat geen recht op kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2003 voor [S.] en vanaf het derde kwartaal van 2004 voor [F.], omdat zij op de peildata van die kwartalen de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt, niet als schoolgaand aangemerkt kunnen worden en niet is gesteld of gebleken dat zij toen werkloos of arbeidsongeschikt waren in de zin van de AKW.

1.7. Bij besluit van [geboortedatum] 2010 heeft de Svb de onverschuldigd aan appellant betaalde kinderbijslag voor [S.]/[N.] en [F.]/[R.] ten bedrage van € 13.156,06 van appellant teruggevorderd. Tevens is daarbij medegedeeld dat de vordering verrekend zal worden met de nog toekomende kinderbijslag en dat appellant voorts een bedrag van € 700,- per maand aan de Svb dient te betalen.

1.8. Naar aanleiding van het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft de Svb bij besluit van 28 mei 2010 (bestreden besluit 2) het terug te vorderen bedrag vastgesteld op € 13.156,03 en het maandelijks door appellant te betalen bedrag op € 248,84. Tevens heeft de Svb aan appellant een proceskostenvergoeding toegekend ter hoogte van € 437,-.

2.

De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe is - onder meer - overwogen dat de Svb met de verwijzing naar het rapport van de Attaché van Sociale Zaken te Marokko voldoende heeft onderbouwd dat de identiteit en geboortedata van de kinderen [S.] en [F.] zijn overgenomen door [N.] en [R.]. Daarbij heeft de rechtbank mede van belang geacht dat appellant blijkens een overgelegde huwelijksakte in 1985 is gehuwd met Mina Rachid en dat tijdens het onderzoek van de Attaché de kinderen werden aangeroepen met de namen [S.] en [F.]. De rechtbank heeft zich voorts kunnen verenigen met terugvordering van het gehele terugvorderingsbedrag van € 13.156,03 en heeft geen dringende redenen aanwezig geacht om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

3.

Appellant heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat hij officiële documenten over het bestaan van de kinderen heeft overgelegd en dat er geen sprake is van een consistent en zorgvuldig opgesteld rapport van de Attaché op basis waarvan het recht op kinderbijslag herzien kan worden. Daarbij is erop gewezen dat ten aanzien van [F.] geen geboorteakte is aangetroffen in de Marokkaanse registers. Verder is nog aangevoerd dat voor beide kinderen vanaf hun 16e verjaardag ook recht heeft bestaan op kinderbijslag, omdat zij toen vanwege arbeidsongeschiktheid niet in staat waren onderwijs te volgen dan wel arbeid te verrichten. Ten slotte is meegedeeld dat [N.] op 26 juli 2010 is overleden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is ten eerste in geschil of de rechtbank terecht de beslissing van de Svb heeft onderschreven dat de kinderen [S.] en [F.] bestaan, dat zij de identiteit en geboortedata hebben overgenomen van [N.] en [R.] en dat voor [S.] vanaf het tweede kwartaal van 2003 en voor [F.] vanaf het derde kwartaal van 2004 geen recht op kinderbijslag bestaat, omdat de kinderen op de peildata van die kwartalen de leeftijd van

16

jaar hadden bereikt en niet voldeden aan de verdere voorwaarden voor aanspraak op kinderbijslag.

4.2.

Blijkens vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2004:AO4438) is het voor de uitvoering van de AKW essentieel dat de belanghebbende verzekerde, desverlangd, betrouwbare en valide documenten verstrekt ter zake van het bestaan en de afstamming van kinderen voor wie aanspraak op kinderbijslag wordt gemaakt. Vastgesteld wordt dat op grond van artikel 28 van het Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake sociale zekerheid, zoals dat artikel sedert 1 november 2004 luidt, (Trb. 1973, 130 en 196, 298), voor de toepassing van de AKW door bemiddeling van de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) de verificatie op de registratie en het bestaan van de in Marokko verblijvende kinderen plaatsvindt. De verzekerde hoeft derhalve zelf geen geboorteakten en levensbewijzen met betrekking tot zijn kinderen over te leggen. Op grond van de via de CNSS verstrekte gegevens moet derhalve in beginsel aangenomen worden dat sprake is van betrouwbare en valide documenten als hiervoor bedoeld. Dit laat echter onverlet dat wanneer de Svb twijfelt over de rechtmatigheid van de verstrekte gegevens hij, daargelaten nog de vraag of zulks gelet op de ratio van het Administratief Akkoord niet primair via de CNSS zou dienen te geschieden, nader onderzoek daaromtrent kan (laten) verrichten. De uit zo’n onderzoek blijkende gegevens kunnen echter eerst aanleiding geven af te wijken van de met toepassing van het Administratief Akkoord verkregen informatie, wanneer uit de aangedragen gegevens op overtuigende wijze blijkt of afgeleid kan worden dat de betreffende kinderen niet bestaan dan wel de via de CNSS verstrekte informatie anderszins onjuist is.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank wordt in zoverre onderschreven dat op grond van het door de Attaché verrichte onderzoek geconcludeerd wordt dat het kind [S.], geboren op [geboortedatum] 1987, ten tijde hier van belang bestond en dat hij de identiteit en de geboortedatum van [N.] heeft overgenomen. Daarbij is doorslaggevende betekenis toegekend aan de registratie van de geboorte van [S.] in het register van de burgerlijke stand van de gemeente [geboorteplaats]op 2 februari 1987 als zoon van appellant en [naam echtgenote]. Er bestaat geen aanleiding te twijfelen aan deze registratie nu die blijkt uit een overgelegd afschrift van de geboorteakte, die is bevestigd tijdens het onderzoek van de Attaché in juni 2008 bij de burgerlijke stand. Verder blijkt uit de overgelegde “copie integrale” van de geboorteakte dat appellant zelf aangifte heeft gedaan van de geboorte op 2 februari 1987 en dat er nadien geen wijzigingen in het register ten aanzien van [S.] hebben plaatsgevonden. Voorts bevestigen ook diverse andere door de Attaché in zijn rapport genoemde omstandigheden, zoals de roepnaam ‘‘[S.]”, dat het kind [S.] bestond.

4.4.

Ten aanzien van [R.] wordt allereerst opgemerkt dat uit het hiervoor omschreven toetsingskader voortvloeit dat op overtuigende wijze dient te blijken dat haar registratie als [R.], geboren op [geboortedatum] 1992, onjuist is. Op grond van de thans bekende gegevens kan niet tot een zodanige conclusie worden gekomen. Daarbij is ten eerste van belang dat niet is gebleken van een registratie van een persoon genaamd [F.], geboren op [geboortedatum] 1988, in de burgerlijke stand van[geboorteplaats] of enige andere Marokkaanse burgerlijke stand. Ook desgevraagd heeft de Svb geen enkel authentiek en controleerbaar bewijsstuk omtrent de gestelde geboorte(datum) van [F.] over kunnen leggen. Aan het door de zwager van appellant toegezonden vaccinatiebewijs van een kind genaamd [F.] kan geen doorslaggevende betekenis toegekend worden, nu dit niet een document betreft waarvan de juistheid op grond van controleerbare documenten of registers kan worden bevestigd. Ook met inachtneming van de overige door de Attaché in zijn rapport genoemde omstandigheden kan niet geconcludeerd worden dat daaruit op overtuigende wijze blijkt dat [F.] bestaat en dat zij de identiteit en geboortedatum van [R.] heeft overgenomen.

4.5.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat bestreden besluit 1 niet in stand kan blijven voor zover daarbij aan appellant voor [R.] de aanspraak op kinderbijslag is ontzegd vanaf het derde kwartaal van 2004.

4.6.

Voorts is namens appellant aangevoerd dat de Svb ten onrechte heeft aangenomen dat voor beide kinderen vanaf de kwartalen na het bereiken van de leeftijd van 16 jaar geen recht bestaat op kinderbijslag. De kinderen volgden toen weliswaar geen onderwijs, maar dit was volgens appellant een gevolg van hun arbeidsongeschiktheid. Vastgesteld moet worden dat de Svb, alvorens bestreden besluit 1 te nemen, op geen enkele manier heeft onderzocht of de kinderen voldeden aan de voorwaarden voor aanspraak op kinderbijslag voor kinderen van

16

en 17 jaar. Ook in zoverre is bestreden besluit 1 onzorgvuldig genomen en kan het wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand blijven.

4.7.

Nu bestreden besluit 1 niet in stand kan blijven vloeit daaruit voort dat bestreden besluit 2 hetzelfde lot deelt. Het van appellant terug te vorderen bedrag is immers in ieder geval ten aanzien van de voor [R.] betaalde kinderbijslag onjuist. Afhankelijk van de nadere besluitvorming van de Svb over de aanspraak van appellant op kinderbijslag voor [S.] en [R.] in kwartalen gelegen na het bereiken van de leeftijd van 16 jaar door deze kinderen moet het terug te vorderen bedrag wellicht ook nog verder gewijzigd worden.

4.8.

Uit het hiervoor in 4.6 en 4.7 gestelde vloeit voort dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet de Svb op te dragen de gebreken in de besluiten van 24 december 2009 en 28 mei 2010 te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Svb op binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in de besluiten van 24 december 2009 en 28 mei 2010 te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2013.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) I.J. Penning

CVG