Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2406

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
12-5932 BESLU-S
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn. Het Uwv en de Staat worden veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade aan verzoeker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5932 BESLU-S, 13/1490 BESLU-S

Datum uitspraak: 6 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 maart 2012, 11/8244. Bij die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen een besluit van het Uwv van 22 september 2011, dat genomen is ter uitvoering van een eerdere uitspraak van de rechtbank, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 november 2012, 12/2478 WAO, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 21 maart 2012 vernietigd, het beroep van verzoeker tegen het besluit van

22 september 2011 ongegrond verklaard en het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van verzoeker om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Tevens heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Partijen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. In haar uitspraak van 21 maart 2012 heeft de rechtbank geen aanleiding gezien verzoeker een vergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

1.2. In zijn uitspraak van 28 november 2012 heeft de Raad vastgesteld dat vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op 23 oktober 2007 tot aan de datum van de uitspraak van de rechtbank van 21 maart 2012 vier jaar en bijna vijf maanden zijn verstreken. Dit is meer dan de twee jaar die in beginsel geldt voor een procedure tot en met de rechtbank.

1.3. De Raad heeft, anders dan de rechtbank, aanleiding gezien slechts een deel van de opgetreden vertraging aan verzoeker toe te rekenen. Een deel van de vertraging is veroorzaakt door het feit dat het Uwv zich bij zijn besluitvorming aanvankelijk heeft gebaseerd op een ondeugdelijke medische grondslag. Voorts geldt dat bij de rechtbank sprake is geweest van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd is te achten.

2.1. Namens de Staat is het standpunt ingenomen dat ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase een bedrag van € 500,- aan verzoeker dient te worden vergoed.

2.2. Namens het Uwv is het standpunt ingenomen dat in de bestuurlijke fase de redelijke termijn met elf maanden is overschreden wat in beginsel zou moeten leiden tot een vergoeding van € 1.000,-. Nu een deel van de vertraging aan verzoeker moet worden toegerekend, acht het Uwv het redelijk om deze vergoeding te halveren.

2.3. Namens verzoeker is te kennen gegeven dat hij zich kan vinden in de standpunten van de Staat en het Uwv.

3.

Gezien hetgeen in 2.1, 2.2 en 2.3 is overwogen ziet de Raad aanleiding de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade aan verzoeker tot een bedrag van

€ 500,- en het Uwv te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade aan verzoeker tot een bedrag van € 500,-.

4.

De Raad ziet aanleiding om de Staat en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van verzoeker in deze procedure. Deze kosten worden begroot op € 472,- voor verleende rechtsbijstand, door de Staat en het Uwv elk voor de helft te betalen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding aan verzoeker van € 500,-;

- veroordeelt het Uwv tot betaling van schadevergoeding aan verzoeker van € 500,-;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 236,-;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 236,-.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden)

(getekend) D.E.P.M. Bary

EW