Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2396

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
11-4858 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering gesloten buitenwagen omdat een scootmobiel en een pas voor collectief vervoer, de Rijnstreekhopper, in het geval van appellante de goedkoopst adequate voorzieningen zijn en dat appellante met deze voorzieningen in voldoende mate in haar vervoersbehoefte wordt gecompenseerd. Geen medische noodzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4858 WMO

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

6 juli 2011, 10/8817 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J.A. Vis hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2013. Voor appellante is

mr. Vis verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft het college bij aanvraag van 30 september 2009 verzocht om haar in aanmerking te brengen voor een gesloten buitenwagen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning in verband met haar medische klachten.

1.2. Bij besluit van 3 februari 2010 heeft het college geweigerd appellante voor een gesloten buitenwagen in aanmerking te brengen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat een scootmobiel en een pas voor collectief vervoer, de Rijnstreekhopper, in het geval van appellante de goedkoopst adequate voorzieningen zijn en dat appellante met deze voorzieningen in voldoende mate in haar vervoersbehoefte wordt gecompenseerd.

1.3. Bij besluit van 7 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 februari 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat gegeven de medische situatie van appellante bij verplaatsing buitenshuis het gebruik van een gesloten vervoermiddel noodzakelijk is. In dat verband heeft de rechtbank verwezen naar de beschikbare medische informatie op grond waarvan de medisch adviseur heeft geconcludeerd dat appellante in staat wordt geacht zich te kleden tegen kou en direct zonlicht en dat zij afhankelijk van het weer kan kiezen tussen vervoer per scootmobiel en collectief vervoer. De klachten van de temperatuurschommelingen worden volgens de medisch adviseur bovendien niet weggenomen door gesloten vervoer, nu ook daar altijd een moment van wisseling tussen kou en warmte zal zijn. De rechtbank heeft verder overwogen dat de omstandigheid dat de medisch adviseur niet zelf bij appellante medisch onderzoek heeft verricht, niet maakt dat het medisch onderzoek als onzorgvuldig moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft ten aanzien van de gestelde problemen bij het collectief vervoer overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat het collectief vervoer ook thans zodanig gebrekkig functioneert dat dit niet als alternatief vervoermiddel van de scootmobiel kan worden aangemerkt.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft in het hoger beroepschrift aangevoerd dat zij blootstelling aan zonlicht en kou moet voorkomen omdat bij temperatuurschommelingen klachten aan handen en voeten en andere neurologische klachten ontstaan. Van de toegekende scootmobiel kan zij vanwege de klachten geen gebruik (meer) maken. Verder functioneert het collectief vervoer volgens appellante, nog afgezien van de medische bezwaren tegen het in de kou moeten wachten, vanwege de wachttijden zo slecht dat het niet als een adequate compensatie voor het vervoersprobleem van appellante kan gelden. Verder blijft appellante het onbevredigend en onzorgvuldig vinden dat de medisch adviseur niet de moeite heeft genomen haar zelf te zien en te spreken.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het betoog van appellante in hoger beroep dat zij vanwege haar medische klachten geen gebruik (meer) van de scootmobiel en het collectief vervoer kan maken, slaagt niet. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de medisch adviseur van het college onder medeweging van alle hem ter beschikking staande medische stukken terecht de conclusie heeft getrokken dat appellante daartoe wel in staat moet worden geacht. Appellante heeft ook in hoger beroep geen objectieve medische informatie ingediend die tot een ander oordeel leidt. Het enkele betoog dat de medisch adviseur niet zelf bij appellante medisch onderzoek heeft verricht kan gelet op de aanwezige informatie van medische aard omtrent appellante niet tot het oordeel leiden dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest.

4.2.

De rechtbank heeft voorts, gelet op de uitleg van het college in bezwaar en beroep over het functioneren van het collectief vervoer, terecht overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat het collectief vervoer zodanig gebrekkig functioneert dat dit niet als alternatief vervoermiddel van de scootmobiel kan worden aangemerkt.

4.3.

Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat het college ten onrechte de vervoersbehoefte van appellante niet heeft geïnventariseerd en daarnaast dat het college niet heeft onderzocht of aanleiding bestaat om voor de scootmobiel een persoonsgebonden budget te verstrekken. Deze gronden zijn op geen enkele wijze terug te voeren op de onder 3 genoemde gronden. Nu appellante de gronden pas ter zitting heeft aangevoerd, is het in strijd met de goede procesorde om deze gronden in het geschil te betrekken. De Raad zal deze gronden daarom buiten beschouwing laten.

4.4.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013.

(getekend) J. Brand

(getekend) G.J. van Gendt

JvC