Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2393

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
12-1163 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag omdat appellant beschikt of redelijkerwijs kan beschikken over een vermogen dat hoger is dan de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen. Afwijzig bijstandsaanvraag; geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Gestelde schuld: geen daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling. Geen onderzoek door college naar vaststelling schulden van de stichting. Instandlating rechtsgevolgen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 31
Wet werk en bijstand 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/1
USZ 2013/392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1163 WWB, 12/1164 WWB, 13/1207 WWB

Datum uitspraak: 5 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 januari 2012, 10/1047 en 10/1599 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Bovenkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 21 maart 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

De rechtbank Limburg heeft zich bij uitspraak van 20 februari 2013, 12/842 onbevoegd verklaard te oordelen over het beroep van appellant tegen het besluit van 21 maart 2012 en het dossier aan de Raad gezonden.

Bij brief van 23 mei 2013 heeft het college enkele vragen van de Raad beantwoord en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2013. Namens appellant is verschenen mr. Bovenkamp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.M.H. Theunissen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2.

Op 7 oktober 2009 heeft appellant op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 8 maart 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 september 2010 (bestreden besluit 1) heeft het college deze aanvraag afgewezen. Aan bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant beschikt of redelijkerwijs kan beschikken over een vermogen dat hoger is dan de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen.

1.3.

Op 16 maart 2010 heeft appellant op grond van de WWB een aanvraag om bijstand met ingang van 1 januari 2010 ingediend. Bij besluit van 17 mei 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 september 2010 (bestreden besluit 2), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Wat betreft de periode van 1 januari 2010 tot 8 maart 2010 heeft het college aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegd dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wat betreft de periode van 8 maart 2010 tot 16 maart 2010 dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen en wat betreft de periode van 16 maart 2010 tot en met 26 mei 2010 dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de omstandigheden sedert het besluit op de vorige aanvraag zijn gewijzigd in die zin dat hij nu wel voldoet aan de voorwaarden om voor bijstand in aanmerking te komen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, die besluiten wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigd en het college opgedragen opnieuw te beslissen op de bezwaren tegen de besluiten van 8 maart 2010 en 17 mei 2010. Volgens de rechtbank heeft het college bij de vaststelling van het vermogen van appellant terecht geen rekening gehouden met de schuld van appellant aan de stichting [naam stichting] (stichting) en de schulden die voortvloeien uit de leningen die appellant voor 1 januari 2010 met [V.] (V) heeft afgesloten. Het college heeft echter bij de vaststelling van het vermogen van appellant ten onrechte geen rekening gehouden met de schulden die voortvloeien uit de leningen die appellant over de periode van januari 2010 tot en met april 2010 met V heeft afgesloten.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank bestreden dat bij de vaststelling van zijn vermogen zijn schuld aan de stichting en zijn schulden uit de voor 1 januari 2010 met V afgesloten leningen buiten beschouwing blijven. Appellant stelt dat hij een schuld heeft aan de stichting ten bedrage van € 20.101,-. Ter onderbouwing daarvan heeft hij verwezen naar de jaarstukken van stichting uit 2008 en de grootboekkaart over de periode 1 januari 2009 tot en met 18 september 2009. Voor wat betreft de schuld uit de voor 1 januari 2010 met V afgesloten leningen heeft appellant gewezen op de door hem en V ondertekende verklaring van januari 2010. Op die lening wordt inmiddels afgelost. Appellant heeft verder aangevoerd dat als V zich tot de civiele rechter zou wenden met de vordering om appellant te veroordelen tot terugbetaling van het geleende bedrag de terugbetalingsverplichting zou komen vast te staan.

4.1.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 21 maart 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Bij dat besluit heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 8 maart 2010 en 17 mei 2010 opnieuw ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in de periode van 7 oktober 2009 tot en met 26 mei 2010 beschikt of redelijkerwijs kan beschikken over een vermogen boven de grens van het vrij te laten vermogen. Bij de vaststelling van het vermogen heeft het college onder andere de saldi op de rekeningen van appellant bij de SNS- en de ING-bank betrokken, waarbij rekening is gehouden met een bedrag van € 1.200,- dat wordt vrijgelaten op de als lopende rekening omschreven SNS-rekening van appellant. Daarnaast heeft het college de saldi van de bankrekeningen ten name van de stichting aangemerkt als vermogensbestanddelen van appellant. Volgens het college is sprake van een zodanige verstrengeling van de stichting en de persoon van appellant dat het vermogen van de stichting moet worden aangemerkt als vermogen waarover appellant beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

4.2.

Het besluit van 21 maart 2012 wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

5.

Appellant heeft tegen het besluit van 21 maart 2012 aangevoerd dat niet gesproken kan worden van verstrengeling van de stichting en de persoon van appellant. Indien wel van verstrengeling sprake is, moeten niet alleen de banksaldi van de rekeningen van de stichting, maar ook de schulden van de stichting aan derden worden aangemerkt als schulden van appellant. Omdat het college geen enkel onderzoek heeft gedaan naar de schulden van stichting is het besluit van 21 maart 2012 onzorgvuldig voorbereid. Verder heeft appellant aangevoerd dat het saldo van zijn SNS-rekening voor een deel van de door het college beoordeelde periode lager was dan € 1.200,- en dat daarom het vrijlatingsbedrag op die rekening niet volledig is benut. Volgens appellant heeft het college het restant van het vrij te laten bedrag ten onrechte niet in mindering gebracht op het saldo van zijn ING-rekening. Appellant heeft verder aangevoerd dat bij de vaststelling van zijn vermogen ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn schulden aan [S. 1] en aan [S. 2] en zijn schuld van € 850,- aan [C.].

6.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De aangevallen uitspraak

6.1.

Schulden kunnen in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving uitsluitend in aanmerking worden genomen indien aannemelijk is gemaakt dat zij bestaan en dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.

6.2.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de door hem gestelde schuld aan de stichting een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. In de jaarstukken van de stichting uit 2008 wordt melding gemaakt van een schuld van appellant aan de stichting die op 1 januari 2008 € 31.443,- en op 31 december 2008 € 26.190,- beliep. De grootboekkaart over de periode van 1 januari 2009 tot en met 18 september 2009 vermeldt dat de schuld van appellant aan de stichting op laatstgenoemde datum was teruggebracht tot € 20.101,95. Uit die stukken kan echter niet worden afgeleid dat voor appellant een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling bestond. Voorts heeft het college onweersproken gesteld dat appellant heeft verklaard dat de aflossing van zijn schuld aan de stichting afhankelijk is van de vraag in hoeverre hij aan het einde van de maand in staat is aflossingen te doen.

6.3.

Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat aan zijn schuld uit de voor 1 januari 2010 met V afgesloten leningen een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. In de door appellant en V ondertekende verklaring van januari 2010 is opgenomen dat de voor 1 januari 2010 geleende bedragen zullen worden terugbetaald zodra appellant loon of uitkering ontvangt om in zijn levensbehoefte te voorzien. Op 25 februari 2010 heeft appellant telefonisch te kennen gegeven dat hij met V heeft afgesproken dat hij haar terug zou betalen wanneer de zaken weer beter zouden gaan. De terugbetaling wordt aldus afhankelijk gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis. Het enkele feit dat inmiddels op die schuld wordt afgelost, betekent niet dat aan die schuld een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting was verbonden. Vaststaat dat V zich niet tot de civiele rechter heeft gewend met een vordering tot terugbetaling van het geleende bedrag. Gelet daarop gaat de Raad voorbij aan de stelling van appellant dat met een vonnis van de civiele rechter de terugbetalingsverplichting zou komen vast te staan.

6.4.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt voor zover aangevochten.

Het besluit van 21 maart 2012

6.5.

De beroepsgrond dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de schulden van appellant aan [S. 1] en aan [S. 2] slaagt niet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat die schulden bestaan en daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. De enkele mededeling van appellant dat hij gelden van die personen heeft geleend en dat de opbrengst van die leningen is gebruikt om zijn schuld aan de stichting af te lossen is daarvoor onvoldoende.

6.6.1.

De beroepsgrond van appellant dat het college het restant van het vrij te laten bedrag ten onrechte niet in mindering heeft gebracht op het saldo van de ING-rekening treft geen doel op grond van de volgende overwegingen.

6.6.2.

Het college voert het beleid dat bij de vaststelling van het vermogen een bedrag buiten beschouwing wordt gelaten op de lopende rekening wegens nog te verrichten betalingen en niet in aanmerking te nemen vermogen. Voor een alleenstaande, zoals appellant, bedraagt dit bedrag € 1.200,-. In dat kader wordt onder de lopende rekening verstaan de rekening waar de uitkering van de betrokkene of ander inkomen binnenkomt en de vaste lasten van worden afgeschreven. Gemachtigde van het college heeft ter zitting toegelicht dat op grond van het beleid een persoon slechts één lopende rekening heeft.

6.6.3.

Het hiervoor weergegeven beleid moet worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 12 juli 2011, LJN BR2509) betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze wordt toegepast. Vragen of het beleid redelijk is, dan wel of sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 (slot) van de Awb zijn daarom niet aan de orde.

6.6.4.

In aanmerking genomen dat op de SNS-rekening van appellant de inkomsten worden bijgeschreven, de zorgtoeslag van de belastingdienst binnenkomt en de vaste lasten, zoals de huur, zorgverzekeringspremie, energiekosten en een premie voor een levensverzekering worden afgeschreven, heeft het college die rekening terecht aangemerkt als de lopende rekening van appellant. Het college heeft door de vrijstelling op het saldo van de SNS-rekening toe te passen gehandeld in overeenstemming met zijn beleid.

6.7.

De beroepsgrond van appellant dat van verstrengeling van de stichting en de persoon van appellant geen sprake is, slaagt niet. Vaststaat dat appellant enig bestuurslid is van de stichting en in die hoedanigheid het vermogen van de stichting beheert. Voorts heeft appellant, totdat hij uitviel wegens ziekte, activiteiten ondernomen waarmee inkomsten werden gegenereerd die aan de stichting ten goede zijn gekomen. Toen appellant uitviel, had ook de stichting geen inkomsten meer. Verder zijn ten tijde in geding diverse malen van de bankrekeningen van de stichting bedragen overgeboekt naar de privé rekeningen van appellant en andersom. Ook heeft appellant ten behoeve van de stichting vanaf zijn privérekening aan een derde betalingen gedaan. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een zodanige verstrengeling van de stichting en de persoon van appellant dat het vermogen van de stichting moet worden aangemerkt als vermogen waarover appellant beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

6.8.

Wat onder 6.7 is overwogen betekent dat het vermogen van de stichting moet worden aangemerkt als het vermogen van appellant. Appellant heeft terecht naar voren gebracht dat dit niet alleen geldt voor de positieve vermogensbestanddelen van de stichting, maar ook voor haar schulden. Het college heeft naar de schulden van de stichting geen enkel onderzoek gedaan. Het had op de weg van het college gelegen bij appellant te informeren of de stichting schulden aan derden had en indien dat het geval was bewijsstukken van die schulden op te vragen. De beroepsgrond van appellant dat het besluit van 21 maart 2012 onzorgvuldig is voorbereid treft dan ook doel. Het besluit van 21 maart 2012 komt dan ook wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

6.9.1.

Aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 21 maart 2012 in stand te laten op grond van de volgende overwegingen.

6.9.2.

Appellant heeft als bijlage bij zijn beroepschrift van 3 mei 2012 een berekening van het vermogen van de stichting over de periode van 30 september 2009 tot en met 30 juni 2010 (berekening) gevoegd. Volgens de toelichting van gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft de boekhouder van appellant de berekening opgesteld op basis van de boekhouding van de stichting. Op verzoek van de Raad heeft het college bij de brief van

23 mei 2013 op de berekening gereageerd en te kennen gegeven dat concrete bewijsstukken ter onderbouwing van de berekening niet door appellant zijn overgelegd. Gelet op het voorgaande moet het voor appellant redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat de onderbouwing van de berekening van belang kon zijn voor de beoordeling van het beroep tegen het besluit van 21 maart 2012. Voorts heeft appellant, nadat de Raad hem een afschrift van de brief van 23 mei 2013 had toegezonden, voldoende gelegenheid gehad om nadere stukken ter onderbouwing van de berekening in te zenden.

6.9.3.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de stichting schulden aan derden had. De door appellant overgelegde berekening is daarvoor onvoldoende ,omdat de onderliggende gegevens waarop de berekening is gebaseerd ontbreken. Dat betekent dat de door appellant gestelde en in de berekening opgenomen schulden van de stichting aan derden bij de berekening van het vermogen van appellant niet in aanmerking worden genomen.

6.9.4.

Het college heeft erkend dat ten onrechte de in april 2010 ontstane schuld van € 850,- van appellant aan [C.] niet is betrokken bij de vaststelling van het vermogen vanaf

1 april 2010. Het in aanmerking nemen van die schuld betekent echter niet dat het vermogen van appellant over de periode vanaf 1 april 2010 lager is dan de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen.

7.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 944,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 maart 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 944,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en

J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) P.J.M. Crombach

HD