Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2392

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
11-5451 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de zoon door het inkomen uit de Wajong-uitkering financieel gezien in staat was bij te dragen in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van appellanten. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5451 WWB, 11/5452 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

2 september 2011, 11/667 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant 1] en [Appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2013. Namens appellanten is verschenen mr. Bouts. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.T.P.P. Gijsens.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen vanaf 7 februari 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Zij bewonen een woonwagen op het adres [adres 1] te [woonplaats]. Zoon [naam zoon] (zoon) staat vanaf 6 juli 1999 ingeschreven op het adres van appellanten. Van 11 augustus 2009 tot en met 14 maart 2010 heeft de vriendin van de zoon, [H.] (H) op het adres van appellanten ingeschreven gestaan.

1.2.

Naar aanleiding van de melding vanuit de administratie van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland (Pentasz) dat de zoon bij appellanten inwoont en al geruime tijd een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong-uitkering) ontvangt, heeft Pentasz een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 oktober 2010. Uit het onderzoek is gebleken dat de zoon vanaf 8 april 2008, met een onderbreking, een Wajong-uitkering ontvangt. Voorts heeft de zoon vanaf

3 oktober 2008, met enkele onderbrekingen, in een caravan gewoond die op de standplaats van appellanten stond. Aanvankelijk woonde de zoon alleen in die caravan, later samen met H. H ontving vanaf 21 februari 2010 tot en met 14 maart 2010 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ).

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 26 januari 2011, zoals dat na bezwaar bij besluit van 18 april 2011 (bestreden besluit) is gewijzigd, de bijstand van appellanten over de periodes van 3 oktober 2008 tot en met

14 september 2009, van 25 september 2009 tot en met 14 maart 2010 en van 27 april 2010 tot en met 24 juni 2010 te herzien en de kosten van de over die periodes als gevolg van de herziening tot een te hoog bedrag verleende bijstand van appellanten terug te vorderen. Aan de herziening van de bijstand over de periodes van 3 oktober 2008 tot en met 14 september 2009, van 25 september 2009 tot en met 17 januari 2010 en van 27 april 2010 tot en met

24 juni 2010 heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellanten niet hebben gemeld dat hun zoon bij hen inwoont en een Wajong-uitkering ontvangt en dat aan hen als gevolg daarvan tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Appellanten hadden immers met hun zoon woonkosten kunnen delen en hadden daarom recht op bijstand naar een met 10% verlaagde norm. De herziening van de bijstand over de periode van 18 januari 2010 tot en met 20 februari 2010 berust op de overweging dat appellanten niet hebben gemeld dat H bij hen inwoont en kan beschikken over de Wajong-uitkering van hun zoon en dat aan hen als gevolg daarvan tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Appellanten hadden immers met H woonkosten kunnen delen en hadden in verband daarmee recht op bijstand naar een met

15% verlaagde norm. Aan de herziening van de bijstand over de periode van 21 februari 2010 tot en met 14 maart 2010 heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat hun tot een te hoog bedrag bijstand is verleend omdat zij woonkosten kunnen delen met H die bij hen inwoont en inkomensvoorziening op grond van de WIJ ontvangt. In verband daarmee hadden appellanten recht op bijstand naar een met 15% verlaagde norm.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben verwezen naar wat zij in eerste aanleg hebben aangevoerd. Daarnaast hebben zij een schriftelijke verklaring van 30 maart 2012 van reclasseringswerker M. Verstrenge overgelegd ter onderbouwing van hun stelling dat hun zoon al jarenlang aan drugs is verslaafd. Appellanten hebben ter zitting betoogd dat bijzondere omstandigheden bestaan op grond waarvan het dagelijks bestuur moet afwijken van de in geding zijnde verlaging van de bijstandsnorm. Voorts had Pentasz de woonsituatie van appellanten zelf vast kunnen stellen, omdat op hun woonwagenkamp vrijwel iedereen bijstand ontvangt en gemeenteambtenaren daar geregeld op huisbezoek komen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellanten hebben in hoger beroep herhaald dat hun zoon en H niet bij hen inwoonde, maar in een op de standplaats van appellanten geplaatste caravan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de caravan niet kan worden aangemerkt als een zelfstandige woning en dat de zoon en H feitelijk hun hoofdverblijf hadden in de woonwagen van appellanten. Elementaire voorzieningen als water en elektriciteit ontbraken immers, en voor zover de caravan diende als slaapplaats is dit onvoldoende om een zelfstandig hoofdverblijf in de caravan aan te nemen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank waarop dit oordeel berust.

4.2.

Ingevolge artikel 26 van de WWB kan het college de norm voor gehuwden waarvan beide echtgenoten jonger zijn dan 65 jaar verlagen, voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.

4.3

Artikel 30, eerste lid, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad vaststelt voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Verhoging of verlaging van de norm vindt ingevolge artikel 30, vierde lid, van de WWB plaats onverminderd artikel 18, eerste lid, van de WWB. Ter uitvoering van de artikelen 8, eerste lid, aanhef en onder c, en 30 van de WWB heeft het algemeen bestuur van Pentasz Mergelland in 2008 en in 2010 de Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB Pentasz Mergelland (hierna: Verordening) vastgesteld.

4.4.

Op grond van artikel 5 van de Verordening 2008, en het gelijkluidende artikel 4 van de Verordening 2010, wordt de norm voor gehuwden die hun kosten met een ander kunnen delen, lager vastgesteld dan 100% van het netto minimumloon. De verlaging bedraagt 15% van het netto minimumloon, indien met die ander de woonkosten kunnen worden gedeeld. De verlaging bedraagt 10% van het nettominimumloon, indien de woonkosten met een of meer inwonende niet ten laste komende kinderen kunnen worden gedeeld.

4.5.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de zoon door het inkomen uit de Wajong-uitkering financieel gezien in staat was bij te dragen in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van appellanten. Dat de zoon dat in verband met zijn drugsverslaving in feite niet heeft gedaan, doet er niet aan af dat de mogelijkheid daartoe wel aanwezig was. Voor wat betreft de periode dat de zoon bij appellanten inwoonde is daarmee voldaan aan de in 4.4 vermelde artikelen van de Verordening, hetgeen leidt tot een verlaging van 10% van de gehuwdennorm.

4.6.

Er is geen reden om met toepassing van artikel 30, vierde lid, in verbinding met artikel 18, eerste lid, van de WWB van verlaging af te zien of de norm met minder te verlagen. Laatstgenoemd artikel bevat de verplichting de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbenden. Deze verplichting kan meebrengen dat bij de verlening van bijstand op grond van zeer bijzondere omstandigheden in het individuele geval wordt afgeweken van de in de Verordening neergelegde regels voor de verlaging. De jarenlange verslavingsproblematiek van de zoon en de ter zitting gestelde niet onderbouwde schuldenpositie van meer dan € 100.000,- zijn niet aan te merken als een zeer bijzondere situatie die een dergelijke afwijking zou kunnen rechtvaardigen. Bij het delen van een woning is immers sprake van schaalvoordelen. Dat appellanten om hun moverende redenen in het levensonderhoud hebben voorzien van hun zoon, H en het kind van beiden, is een keuze die voor rekening van appellanten komt en niet op de bijstand kan worden afgewenteld.

4.7.

Het betoog in hoger beroep dat de bij de woonwagen van appellanten geplaatste caravan moet zijn opgevallen bij de gemeenteambtenaren van Pentasz, treft geen doel. De wettelijke verplichting om inlichtingen te verstrekken over de feitelijke woon- en leefsituatie rust immers primair op appellanten.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.9.

Gelet op 4.8 is voor een veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellanten dient daarom te worden afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en

J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) P.J.M. Crombach

HD