Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2388

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
12-2060 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand, bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag. Gezamenlijke huishouding? Uit relatie zijn kinderen geboren. De bevindingen van de sociale recherche zijn onvoldoende voor de conclusie dat appellante met A een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd op haar woonadres. Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2060 WWB

Datum uitspraak: 12 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

14 maart 2012, 11/8508 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Katwijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Charité, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Charité. Als tolk is verschenen K. Abdelkader. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Jaspers.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt met ingang van 6 september 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%. Appellante is tot 21 juli 2008 gehuwd geweest met [A.] (A). Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren. Appellante is op 23 december 2010 verhuisd van het adres [adres 1] te [naam gemeente] naar de [adres 2] te [woonplaats].

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante zou samenwonen met A en de omstandigheid dat er betalingen waren te zien vanaf de rekening van A naar de betaalrekening van appellante, heeft de Sociale Recherche Zuid-Holland Noord (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, is met de werkgever van A gesproken en zijn waarnemingen verricht op het woonadres. Daarnaast heeft op 15 juni 2011 een huisbezoek op het woonadres plaatsgevonden, is appellante aansluitend verhoord en heeft een buurtonderzoek plaatsgevonden op het oude en nieuwe woonadres van appellante. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in het rapport van 22 juni 2011.

1.3.

Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft het college bij besluit van 8 juli 2011, herzien bij besluit van 15 juli 2011, de bijstand van appellante met ingang van 1 juni 2011 beëindigd (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van algemene bijstand, bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag over de periode van 1 oktober 2010 tot en met 31 mei 2011 tot een bedrag van € 10.900,40 van appellante teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 28 oktober 2011 (bestreden besluit), heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 8 juli 2011 en 15 juli 2011 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat het recht op algemene bijstand, bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag over de periode van 23 oktober 2010 tot 1 juni 2011 wordt ingetrokken en dat de gemaakte kosten over deze periode tot een bedrag van € 9.605,90 van appellante worden teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de met A gevoerde gezamenlijke huishouding.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat appellante en A een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellante heeft, samengevat, aangevoerd dat het college geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht en het hoofdverblijf van A op de woonadressen van appellante niet aannemelijk heeft gemaakt. Appellante wijst erop dat bij het huisbezoek geen persoonlijke eigendommen van A zijn aangetroffen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a en b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, zij met elkaar gehuwd zijn geweest en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind door de ander.

4.2.

Aangezien vast staat dat uit de relatie van appellante en A twee kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en A hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.3

Het besluit tot intrekking van de bijstand is een belastend besluit. Daarbij is het aan het college om de nodige kennis omtrent de concrete feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om te bewijzen dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust.

4.4.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beschikbare gegevens onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellante en A hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. Het college heeft ter onderbouwing gesteld dat A tijdens het huisbezoek is aangetroffen gekleed in boxershort en hemd met een kind op zijn schoot en dat A bij zijn werkgever twee adreswijzigingen heeft doorgeven, waarbij hij het adres van appellante heeft opgegeven. Verder vindt het college steun voor zijn standpunt in de verklaringen van de buurtbewoners van het oude en nieuwe woonadres.

4.5.

Het enkele feit dat A tijdens het huisbezoek in de woning van appellante is aangetroffen maakt nog niet dat hij zijn hoofdverblijf daar ook heeft gehad. Vast staat dat de sociale recherche tijdens het huisbezoek geen gericht feitelijk onderzoek in de woning heeft gedaan naar eventueel aanwezige persoonlijke eigendommen van A. Appellante heeft over de aanwezigheid van A in haar woning verklaard dat hij geregeld langs kwam omdat de kinderen werden gepest. Appellante heeft van het begin af aan ontkend dat A bij haar inwoonde. Bij de hoorzitting in het kader van de behandeling van het bezwaarschrift op

19 september 2011 heeft A in dezelfde zin verklaard. Over de adreswijzigingen bij zijn werkgever heeft A verklaard dat de reden gelegen was in het feit hij geen vaste woon- en verblijfplaats had en dat het adres van appellante als postadres werd gebruikt. De verklaring van A is gelet op deze omstandigheid niet onaannemelijk. Aan de verklaringen van de buurtbewoners komt voorts niet die betekenis toe die het college daaraan heeft gehecht. De verklaringen zijn anoniem gedaan en betreffen voornamelijk conclusies van de buurtbewoners dat A woonde op het adres van appellante. Uit die verklaringen blijkt onvoldoende waarop deze conclusies zijn gebaseerd. Bovendien heeft een van de bewoners A niet herkend op de foto.

4.6.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.4 en 4.5 zijn de bevindingen van de sociale recherche onvoldoende voor de conclusie dat appellante met A een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd op haar woonadres. Dit betekent dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke grondslag. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet tevens aanleiding de besluiten van 8 juli 2011 en 15 juli 2011 te herroepen nu deze besluiten op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berusten en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

5.

Ten slotte bestaat aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 944,- in bezwaar, € 944,- in beroep en op € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.832,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 28 oktober 2011;

  • -

    herroept de besluiten van 8 juli 2011 en 15 juli 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de

plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.832,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkes als

griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.C. Oomkens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD