Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2387

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
12-1320 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toeslag van 20 procent. De ruimte die appellante bewoont moet niet, maar het huis waar zij samen met haar zuster woont wel als een woning in de zin van de Verordening toeslagen en verlagingen WWB 2009, worden aangemerkt. Daarom heeft het college appellante terecht aangemerkt als een alleenstaande die een woning bewoont waarin één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben en dus terecht een toeslag van 10 procent toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1320 WWB

Datum uitspraak: 12 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

15 februari 2012, 11/4574 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te[woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L. Plokker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Plokker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

V.M.M. Albers en L. Savas.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante woont in een huis waarin ook haar zuster woont. Het huis heeft één toegangsdeur en één adres. Appellante beschikt over een eigen keuken, toilet, douche en woon- en slaapkamer. Appellante ontving vanaf 26 juli 2002 aanvullende bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20 procent. In maart 2009 heeft het college de woonsituatie van appellante door middel van een huisbezoek gecontroleerd en de bijstand ongewijzigd voortgezet. Daarbij heeft het college aangenomen dat appellante de noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen met een ander.

1.2.

Bij besluit van 31 december 2010 heeft het college met ingang van die dag de bijstand van appellante ingetrokken op de grond dat zij niet aangetoond had op welke wijze zij de huur aan haar zuster betaalde. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

Op 11 januari 2011 heeft appellante zich gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Zij heeft bijstand aangevraagd met ingang van 1 januari 2011.

1.4.

Bij besluit van 27 januari 2011 heeft het college aan appellante met ingang van 11 januari 2011 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10 procent. Daaraan heeft het college onder meer ten grondslag gelegd dat appellante de noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen met één of meer anderen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt voor zover daarbij niet de toeslag van 20 procent is toegekend. Zij heeft gevraagd om deze toeslag met terugwerkende kracht tot 1 januari 2011 toe te passen.

1.5.

Bij besluit van 9 maart 2011 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van

31 december 2010 gegrond verklaard en aanvullende bijstand toegekend over de periode van 1 januari 2011 tot en met 10 januari 2011 naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10 procent.

1.6.

Bij brief van 22 maart 2011 heeft het college aan appellante meegedeeld dat voor zover het bezwaar tegen het besluit van 27 januari 2011 betrekking heeft op verlening van een toeslag van 20 procent over de periode van 1 januari 2011 tot en met 10 januari 2001, dit onderwerp was van de eerste bezwaarprocedure. Als appellante het niet eens is met de uitkomst daarvan, staat haar beroep open tegen het besluit van 9 maart 2011. Tegen dit besluit heeft appellante echter geen rechtsmiddel aangewend.

1.7.

Bij besluit van 4 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 januari 2011 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college verwezen naar artikel 2:1, derde lid, van de Toeslagenverordening en vastgesteld dat appellante een woning bewoont waarin één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben. Daarom heeft zij recht op een toeslag van 10 procent. Dat eerder ten onrechte een toeslag van 20 procent is toegekend is geen reden om die fout te herhalen. Bij de aanvraag om bijstand met ingang van 11 januari 2011 is een nieuwe en juiste beoordeling van de woonsituatie gemaakt. Ook is niet gebleken van bijzondere omstandigheden om af te wijken van de verordening.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij voert aan dat zij een zelfstandige woning bewoont. Zij heeft daartoe verwezen naar de informatie van de Belastingdienst Toeslagen. Haar huisvesting betreft zelfstandige woonruimte waarvoor huurtoeslag verkregen zou kunnen worden. Nu het bezwaar tegen de beëindiging van de bijstand met ingang van 31 december 2010 gegrond is verklaard, had de toeslag van

20

procent voortgezet moeten worden. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met de rechtszekerheid. In ieder geval had het college een overgangsperiode moeten toepassen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Nu het onder 1.5 vermelde besluit in rechte onaantastbaar is geworden, staat in dit geding slechts ter beoordeling of het college appellante terecht naar aanleiding van haar aanvraag vanaf 11 januari 2011 bijstand met een toeslag van 10 procent, en niet van 20 procent heeft toegekend. Daarop stuit ook het betoog af dat het bestreden besluit genomen is in strijd met de rechtszekerheid. Het college was niet gehouden een overgangsperiode toe te passen nu het een nieuwe aanvraag betrof en uit het onder 1.5 vermelde besluit volgt dat onmiddellijk voorafgaande aan die aanvraag ook een toeslag van 10 procent van toepassing is. De in dit geding te beoordelen periode loopt van 11 januari 2011 tot en met 27 januari 2011

(te beoordelen periode).

4.2.1.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de WWB, geldend in de te beoordelen periode en voor zover hier van belang, verhoogt het college de norm voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.

4.2.2.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 30, eerste lid, van de WWB stelt de gemeenteraad vast voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. In de te beoordelen periode betrof dit de Verordening toeslagen en verlagingen WWB 2009 (verordening) van de gemeente Rijswijk.

4.2.3.

Artikel 2:1 van de verordening luidt:

1.

De norm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.

2.

De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op het in artikel 25 eerste lid van de wet genoemde maximumbedrag, zijnde 20% van het netto minimumloon, indien:

a. een alleenstaande of alleenstaande ouder een woning bewoont waarin geen anderen hun hoofdverblijf hebben;

b. een alleenstaande of alleenstaande ouder uitsluitend inwoning heeft van een eigen kind of eigen kinderen jonger dan 21 jaar.

3.

De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op 10% van het netto minimumloon, indien:

a. een woning wordt bewoond waarin één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben;

b. een alleenstaande of alleenstaande ouder met een of meer bloedverwanten in de eerste graad van 21 jaar of ouder een woning deelt.

4.3.

Partijen houdt verdeeld de vraag of appellante in de te beoordelen periode wel of niet samen met haar zus hoofdverblijf heeft in een woning als bedoeld in de verordening.

4.4.

Het begrip woning is in de verordening niet gedefinieerd. De wettelijke grondslag voor de verordening berust op de WWB. Daarom hebben het college en de rechtbank bij de uitleg van het begrip woning in de verordening terecht aansluiting gezocht bij het begrip woning in die wet. Aanknopingspunten voor een andere uitleg van het begrip woning in de verordening zijn immers niet voor handen.

4.5.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 25 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8470) volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de WWB dat met een woning in die wet overeenkomstig de voorheen geldende Huursubsidiewet een zelfstandige woning is bedoeld, namelijk een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Eigen toegang houdt in dat men de woonruimte kan bereiken zonder daarbij vertrekken of gangen te hoeven passeren waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij huurder of eigenaar zijn (Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr 3, blz. 33).

4.6.

Appellante deelt in het huis waar zij en haar zuster wonen het gebruik van een toegangsdeur, een daarachter gelegen gang en trap, over welke onderdelen van het huis de zuster als eigenaresse de zeggenschap heeft. Deze situatie verschilt beslissend van bijvoorbeeld flatwoningen en appartementencomplexen, waar de bewoners op gelijke wijze zeggenschap hebben over de gemeenschappelijke ruimten, zoals toegang, hal en trappenhuis, en waar de afzonderlijke woningen volgens de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens een eigen adres hebben. De ruimte die appellante in het huis bewoont is daarom geen woning in de zin van de WWB en de verordening, zoals onder 4.5 bedoeld.

4.7.

Appellante heeft gewezen op de uitleg die de Belastingdienst geeft aan begrippen bij de toepassing van de huurtoeslag. Volgens die uitleg bewoont appellante een onvrije woning, maar wel een zelfstandige woonruimte. Deze andere begrippen bij de toepassing van andere wettelijke bepalingen kunnen echter niet de betekenis veranderen die aan het begrip woning in de WWB en dus in de verordening is en moet worden toegekend.

4.8.

Uit wat onder 4.4 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat de ruimte die appellante bewoont niet, maar het huis waar zij samen met haar zuster woont wel als een woning in de zin van de verordening moet worden aangemerkt. Daarom heeft het college appellante terecht aangemerkt als een alleenstaande die een woning bewoont waarin één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben en dus terecht een toeslag van 10 procent toegekend.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) T.A. Meijering

ew