Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2374

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
12-5140 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van H. Voldoende aanknopingspunten voor het standpunt van het college dat sprake was van wederzijdse zorg. Er was sprake van financiële verstrengeling. Appellant leeft van het inkomen van H. Appellant voorziet in zorg voor H.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5140 WWB

Datum uitspraak: 12 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 augustus 2012, 12/888 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2013. Voor appellant is verschenen mr. Willering. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Mulders.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.1. Appellant heeft zich op 18 augustus 2011 gemeld om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen naar de norm voor een alleenstaande. Hij heeft daarbij te kennen gegeven dat hij op verschillende plaatsen verblijft. Op drie zogeheten zevendagenformulieren over de periode van 18 augustus 2011 tot en met 5 september 2011 heeft appellant opgegeven te verblijven op de adressen [adres 1 en 2] te [woonplaats] en op een niet nader gespecificeerd adres in[plaatsnaam].

1.1.2. Op 6 september 2011 heeft appellant de aanvraag om bijstand ingediend. Daarbij heeft hij opgegeven dat hij verblijft bij een vriendin en een kennis. Op diezelfde datum heeft appellant op een daartoe bestemd formulier ‘Opgave verblijfslocatie(s) dak- thuisloze’ opgave gedaan van de adressen waar bij verblijft. Hij heeft opgegeven dat hij bij zijn vriend[K.] (K) op het adres[adres 1] te [woonplaats] in de (kelder)box slaapt en dat hij bij [H. 1] (H) op het adres [adres 2] te [woonplaats] op de bank slaapt. Appellant heeft op dit formulier voorts het volgende vermeld. Hij scheert en douchet zich bij H. De meeste spullen van hem liggen op het adres van H. In de (kelder)box bij K staan een paar schoenen, een asbak en een bed en er ligt wat kleding van appellant.

1.1.3. Tijdens het intakegesprek op 6 september 2011 heeft appellant onder meer het volgende verklaard. Hij heeft de afgelopen periode geleefd van het pensioen en de AOW-uitkering van H. Dit kan nu niet meer, omdat de familie van H haar pensioen en AOW-uitkering beheren en H € 50,- geven om van te leven. Dat is onvoldoende voor appellant en H. Omdat H dementerend is, wordt appellant vaak moedeloos en moet er dan even uit. Hij gaat dan naar zijn vriend K.

1.1.4. Op 28 oktober 2011 heeft appellant zich in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens laten inschrijven op het adres van H.

1.2.

De afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) heeft een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader is op 18 november 2011 een huisbezoek afgelegd aan het adres van H en is appellant tijdens het huisbezoek gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 18 november 2011.

1.3.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

22 november 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 februari 2012 (bestreden besluit), de aanvraag af te wijzen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met H, zodat appellant niet kan worden aangemerkt als zelfstandig subject van bijstand.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd. Hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Het adres [adres 2], het adres van H, is slechts één van de drie opgegeven slaap- of verblijfadressen. Dat adres gebruikt appellant slechts als postadres. Van een gezamenlijk hoofdverblijf op het adres van H is geen sprake, omdat appellant een belangrijk deel van de week elders verblijft, namelijk op de andere twee opgegeven adressen. Het inkomen en vermogen van H wordt vanwege haar aftakeling beheerd door haar zoon. Het bedrag van € 70,- dat H per week ontvangt, is afgestemd op de levensbehoeften van één persoon. Gelet op haar geestelijke, lichamelijke en financiële toestand, verzorgt of onderhoudt H appellant niet. Als er al sprake zou zijn van zorg, dan is dit te beschouwen als eenzijdige zorg van appellant voor H en niet als wederzijdse zorg.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 18 augustus 2011 (datum melding) tot en met 22 november 2011 (datum afwijzingsbesluit).

4.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB, is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.4.1.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant in de periode in geding zijn hoofdverblijf had in de woning van H op het adres [adres 2] te [woonplaats]. Daarbij komt in het bijzonder betekenis toe aan de door appellant op

18 november 2011 afgelegde verklaring, luidende, voor zover van belang: “Ik slaap 3 à 4 keer per week op het adres[adres 2]te [woonplaats]. In het weekend zit ik in [plaatsnaam] bij[H. 2]. (...) Ik blijf 3 à 4 keer per week slapen op het adres[adres 2] te [woonplaats]. Mijn kleren liggen hier in de woning overal. Bij [K] in de box ligt ook kleding. [K] is een vriend die woont op[adres 1] te [woonplaats]. Ik kom elke dag bij [K]. Ik heb een sleutel van deze box. Ik heb een sleutel van de woning van [K]. Ik heb een sleutel van deze woning [adres 2] te [woonplaats]. Mijn post en medicijnen komen op het adres [adres 2] te [woonplaats].”

4.4.2.

Het - niet nader gespecificeerde - adres in [plaatsnaam] betreft een vakantiehuis van vrienden van appellant. Deze vrienden hebben in een brief van 23 augustus 2011 te kennen gegeven dat zij appellant en H af en toe een weekend meenemen naar dat vakantiehuis. Ter zitting van de Raad heeft appellant verklaard dat hij daar samen met H regelmatig een weekend doorbrengt. Dat appellant, naar hij bij die gelegenheid heeft verklaard, daar ook in de periode in geding regelmatig in het weekend verbleef, doet er niet aan af dat appellant in die periode zijn hoofdverblijf had op het adres van H.

4.4.3.

Uit wat appellant heeft verklaard tijdens het intakegesprek op 6 september 2011, het huisbezoek op 18 november 2011 en ter zitting van de Raad, komt naar voren dat appellant in de periode in geding met enige regelmaat naar (de kelderbox van zijn) vriend K ging om “bij te komen”, maar dat hij altijd weer naar het adres van H terugkeerde. Op dat adres nuttigde appellant de avondmaaltijd, liet hij zijn post en medicijnen komen, lagen de meeste van zijn persoonlijke bezittingen en sliep hij het grootste deel van de week. Gelet hierop doet de omstandigheid dat appellant in de periode in geding met enige regelmaat verbleef op het adres van K er evenmin aan af dat appellant in die periode zijn hoofdverblijf had op het adres van H.

4.5.

Het tweede criterium is de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.6.

De beschikbare gegevens bieden voldoende aanknopingspunten voor het standpunt van het college dat gedurende de te beoordelen periode sprake was van wederzijdse zorg in de in 4.5 bedoelde zin. Er was in die periode sprake van financiële verstrengeling. Appellant heeft immers tijdens het intakegesprek verklaard dat hij leeft van, kort gezegd, het inkomen van H. Weliswaar ontvangt H van haar zoon een gering bedrag voor de kosten van levensonderhoud, maar appellant heeft ter zitting van de Raad verklaard dat hij en H, tot op heden - ook in de periode in geding - met dat geringe bedrag in hun levensonderhoud hebben voorzien. Dat appellant voorziet in zorg voor H is niet in geschil: appellant kookt voor haar, wast haar kleding, zorgt ervoor dat zij wordt gewassen en maakt haar huis schoon. H verleent in die zin zorg voor appellant, dat zij appellant onderdak verschaft, zonder dat hij daarvoor hoeft te betalen en dat zij de kosten van levensonderhoud van appellant financiert. Het betoog van appellant dat, als al sprake is van zorg, het gaat om eenzijdige zorg van appellant voor haar, slaagt dan ook niet.

4.7.

Nu uit 4.4.1 tot en met 4.6 volgt dat appellant en H in de periode in geding een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd, was appellant in die periode niet te beschouwen als een zelfstandig subject van bijstand. Dit betekent dat het college de aanvraag om bijstand terecht heeft afgewezen. Het hoger beroep slaagt dan ook niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) M.R. Schuurman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD