Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2373

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
12-1427 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) De vaststelling van het maandelijkse aflossingsbedrag bij de brief is een invorderingsbeslissing. Deze vaststelling berust op een publiekrechtelijke grondslag, namelijk artikel 60, eerste lid, van de WWB, zoals deze bepaling vóór 1 juli 2009 luidde. De brief, voor zover betrokkene daarbij een betaalverplichting is opgelegd van € 343,38 per maand, is een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. 2) Appellant heeft zich bij een nieuw besluit terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene geen procesbelang heeft bij een beoordeling van de bij de brief opgelegde betaalverplichting.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 60
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/2470
JWWB 2013/210
BA 2013/275
ABkort 2013/425
RSV 2014/11
USZ 2013/393
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1427 WWB, 13/5322 WWB

Datum uitspraak: 12 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2012, 11/4802 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats](betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. B.B.A. Willering, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij brief van 2 augustus 2011 (brief) heeft appellant betrokkene geïnformeerd over de wederzijdse verplichtingen met betrekking tot de beëindiging van de bijstand. Daarbij is betrokkene, voor zover van belang, gewezen op een nog bij de Dienst Werk en Inkomen openstaande vordering wegens ten onrechte verstrekte bijstand, waarvan een bedrag van € 20.602,80 resteert. Appellant heeft de aflossingsverplichting ter voldoening van deze vordering vastgesteld op een bedrag van € 343,38 per maand.

1.2.

Bij besluit van 25 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen de brief niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.3.

Bij besluit van 5 september 2011 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat op basis van de door betrokkene verstrekte gegevens een berekening is gemaakt van zijn aflossingscapaciteit en dat aan hem met ingang van de maand oktober 2011 een aflossingsverplichting van € 110,95 wordt opgelegd in plaats van € 343,38. Tegen dit besluit heeft betrokkene geen bezwaar gemaakt.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat met de brief voor betrokkene een nieuwe verplichting is ontstaan die op rechtsgevolg is gericht, zodat de brief ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt als een besluit.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 19 februari 2010,

LJN BL4550, dat de vaststelling van het aflossingsbedrag in de brief niet is gebaseerd op een publiekrechtelijke bevoegdheid, zodat dit geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

4.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluit van 1 maart 2012 het bezwaar van betrokkene tegen de brief niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat het maandelijkse aflossingsbedrag inmiddels bij besluit van 5 september 2011 nader is vastgesteld op € 110,95 en dat betrokkene tegen dit besluit geen bezwaar heeft gemaakt. Voorts heeft appellant - onder voorbehoud van de uitkomst van deze hoger beroepsprocedure - kenbaar gemaakt aanleiding te zien voor vergoeding van de door betrokkene in bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 437,-. De Raad zal het besluit van 1 maart 2012 met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb bij de beoordeling in hoger beroep betrekken.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De aangevallen uitspraak

5.1.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of de vaststelling van het maandelijkse aflossingsbedrag, zoals neergelegd in de brief, is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

5.2.

Niet in geschil is dat de vordering genoemd in de brief is vastgesteld vóór de inwerkingtreding van de Wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb (Vierde Tranche), Stb. 2009, 264. Gelet op het bepaalde in artikel III van die wet blijft het voor 1 juli 2009 geldende recht op de vordering van toepassing. Dit betekent dat de bij die wet ingevoegde bepalingen van de Awb over bestuursrechtelijke geldschulden niet op de terugvordering van toepassing zijn.

5.3.

Ingevolge artikel 60, eerste lid, van de WWB, zoals deze bepaling tot 1 juli 2009 luidde, vermeldt een besluit tot terugvordering van kosten van bijstand hetgeen teruggevorderd wordt, de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, ten uitvoer wordt gebracht. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, blz. 78 en 79) is opgemerkt dat burgemeester en wethouders niet alleen een terugvorderingsbesluit moeten nemen, maar ook een invorderingsbeslissing waarin wordt vastgesteld over welke periode en met welke termijnbedragen de betrokkene het verschuldigde bedrag terugbetaalt. De vaststelling van het maandelijkse aflossingsbedrag bij de brief is een zodanige invorderingsbeslissing. Anders dan appellant betoogt, berust deze vaststelling dus op een publiekrechtelijke grondslag, namelijk artikel 60, eerste lid, van de WWB, zoals deze bepaling vóór 1 juli 2009 luidde. De Raad is dan ook met de rechtbank en anders dan appellant van oordeel dat de brief, voor zover betrokkene daarbij een betaalverplichting is opgelegd van € 343,38 per maand, een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

5.4.

De onder 3 genoemde uitspraak waarop appellant zich heeft beroepen, heeft voor dit geding geen betekenis, reeds omdat die uitspraak betrekking heeft op een ander wettelijk kader dan de WWB, namelijk de Wet op de studiefinanciering 2000. In die zaak heeft de Raad geoordeeld dat de getroffen afbetalingsregeling geen publiekrechtelijke rechtshandeling is, omdat daarvoor, kort gezegd, geen publiekrechtelijke grondslag kon worden aangewezen, terwijl in het geval van betrokkene, zoals is overwogen in 4.3, wel een publiekrechtelijke grondslag aanwezig is voor de opgelegde maandelijkse betaalverplichting.

5.5.

Uit 5.2 tot en met 5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Het besluit van 1 maart 2012

5.6.

Appellant heeft zich bij het besluit van 1 maart 2012 terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene geen procesbelang heeft bij een beoordeling van de bij de brief opgelegde betaalverplichting. Immers, appellant heeft bij het besluit van 5 september 2011 een nieuwe betaalverplichting opgelegd, waartegen betrokkene geen bezwaar heeft gemaakt. Verder heeft appellant de bezwaarkosten vergoed en heeft betrokkene niet naar voren gebracht dat hij schade heeft geleden ten gevolge van de brief. Het beroep tegen het besluit van 1 maart 2012 moet dan ook ongegrond worden verklaard.

6.

Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 472,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 maart 2012 ongegrond;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 472,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 466,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) M.R. Schuurman

HD