Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2370

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
13-929 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen procesbelang. Niet-ontvankelijk verklaring beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/929 WUV, 13/1260 WUV

Datum uitspraak: 31 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te[woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 januari 2013, kenmerk[nr.] (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft op 1 maart 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. In vervolg daarop heeft verweerder de Raad bij brief van 15 juli 2013 meegedeeld dat het besluit van 1 maart 2013 niet wordt gehandhaafd wat betreft het ingenomen standpunt over de uitbetaling van de vergoeding voor huishoudelijke hulp. Namens appellante heeft mr. Van Berkel op deze brief desgevraagd een reactie gegeven.

Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, is erkend als vervolgingsslachtoffer in de zin van de Wuv. Appellante heeft op jeugdige leeftijd tijdens internering poliomyelitis doorgemaakt, met als gevolg blijvende lichamelijke beperkingen. Verweerder heeft de bij appellante aanwezige status na poliomyelitis aangemerkt als een causale aandoening.


1.2. Aan appellante is op grond van de Wuv een vergoeding voor huishoudelijke hulp toegekend. Vanaf 1 oktober 2005 wordt maximaal zestien uur huishoudelijke hulp per week vergoed. Verder is aan appellante op grond van de Wuv met ingang van 1 februari 2001 een vergoeding toegekend voor verzorgingshulp tot maximaal vier uur per week.

1.3. In januari 2011 heeft appellante een declaratie ingediend, gericht op uitbetaling van de vergoeding van huishoudelijke hulp en verzorgingshulp over de periode van 16 januari 2001 tot 23 januari 2010. Bij besluit van 11 april 2011 heeft verweerder geweigerd om tot uitbetaling over te gaan. Het bezwaar daartegen is bij besluit van 23 december 2011 ongegrond verklaard. Het beroep tegen het besluit van 23 december 2011 heeft de Raad bij uitspraak van 11 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7015 ongegrond verklaard.

1.4. Op 3 oktober 2012 heeft appellante kosten van huishoudelijke hulp en verzorgingshulp over de maand september 2012 gedeclareerd. De vergoeding voor huishoudelijke hulp over deze maand was al voor acht uur per week uitbetaald. De declaratie was wat deze kosten betreft gericht op uitbetaling van de vergoeding voor de resterende acht uur per week. Bij besluit van 19 oktober 2010 heeft verweerder geweigerd om tot uitbetaling van de gedeclareerde kosten over te gaan. Het bezwaar daartegen is bij het bestreden besluit in zoverre gegrond verklaard dat de gedeclareerde kosten van verzorgingshulp over de maand september 2012 worden uitbetaald. Daarbij is een vergoeding van € 874,- toegekend voor de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt.


1.5. Bij het besluit van 1 maart 2013 is de bij het bestreden besluit toegekende vergoeding voor de kosten in bezwaar verhoogd naar een bedrag van € 944,-.

1.6. Verweerder heeft bij brief van 15 juli 2013 meegedeeld dat, gelet op de uitspraak van

11 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7015, het standpunt dat de gedeclareerde kosten van huishoudelijke hulp niet voor uitbetaling in aanmerking komen, niet langer wordt gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder te kennen gegeven dat geen nieuwe beslissing op bezwaar zal worden genomen, omdat dit niet zal leiden tot een voor appellante gunstiger financieel resultaat. Verweerder heeft hierbij verwezen naar een besluit van 29 januari 2013, waarbij op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940‑1945 met ingang van 1 juli 2010 een vergoeding voor huishoudelijke hulp voor maximaal zestien uur per week is toegekend en ook betaalbaar is gesteld. Appellante heeft de Raad bij brief van 5 september 2013 desgevraagd meegedeeld dat zij kennis heeft genomen van dit besluit, maar dat zij haar beroep niet intrekt.

2.

De Raad overweegt als volgt.

2.1.

Verweerder heeft het bestreden besluit niet gehandhaafd. Van enig resterend (proces)belang bij de beoordeling van de rechtmatigheid van dit besluit is niet gebleken. Het beroep tegen dit besluit zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.2.

Het nieuwe besluit van 1 maart 2013 komt niet geheel aan het bezwaar van appellante tegemoet. Dit besluit wordt daarom met toepassing van artikel 6:19 in samenhang met

artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht bij de beoordeling van het beroep betrokken.

2.3.

In geschil is uitsluitend nog de uitbetaling van de vergoeding voor huishoudelijke hulp over de maand september 2012.

2.4.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 22 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1864) is pas sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

2.5.

Aan appellante is op grond van de Wuv een vergoeding voor huishoudelijke hulp toegekend voor maximaal zestien uur per week. Ten tijde van de declaratie van 3 oktober 2012 was over de maand september 2012 al een vergoeding voor huishoudelijke hulp uitbetaald voor acht uur per week. Het in 1.6 genoemde besluit van 29 januari 2013 houdt in dat (mede) voor de in geding zijnde resterende acht uur per week een vergoeding wordt uitbetaald. Daarmee heeft appellante geen procesbelang meer als bedoeld in 2.4. Nu appellante niet om schadevergoeding heeft verzocht, is ook anderszins geen procesbelang aanwezig. Dit betekent dat ook het beroep tegen het besluit van 1 maart 2013

niet-ontvankelijk moet worden verklaard.


3. Er is aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden vastgesteld op een bedrag van € 472,- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 januari 2013 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 maart 2013 niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat verweerder aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 44,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 472,-.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2013

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) P.W.J. Hospel

HD