Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2369

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
13-1254 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om kwijtschelding studieschuld. Het gevoerde beleid is niet onredelijk. Appellant verkeert niet in één van de in het beleid voorziene situaties. Geen sprake van zodanig bijzondere omstandigheden dat afwijking van het beleid is aangewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1254 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudig kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

22 januari 2013, 12/9854 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en de Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2013. Appellant is niet verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1.

Bij besluit van 17 september 2012 (bestreden besluit) heeft de Minister gehandhaafd zijn besluit van 13 juli 2012, waarbij het verzoek van appellant om kwijtschelding van zijn studieschuld is afgewezen.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat bij hem sprake is van een bijzondere situatie. Hij heeft zich beroepen op ontoerekeningsvatbaarheid.

4.1.

De Raad overweegt als volgt.

4.2.

De Wet studiefinanciering 2000 voorziet slechts in kwijtschelding bij het einde van de aflosfase en bij overlijden van de debiteur.

4.3.

De Minister voert met toepassing van de hardheidsclausule een beleid dat ook kwijtschelding wordt verleend indien:

- de debiteur een terminale ziekte heeft waardoor hij naar verwachting binnen een jaar komt te overlijden;

- de debiteur gedurende langere tijd in coma ligt;

- de debiteur een psychiatrische patiënt is die is opgenomen in een inrichting en de situatie

uitzichtloos is.

4.4.

Dit beleid is niet onredelijk. De Raad wijst op zijn uitspraken van 10 december 2004,

LJN AR8524, van 4 mei 2007, LJN BA5116 en van 10 december 2010, LJN BO7215.

4.5.

Niet in geschil is dat appellant niet verkeert in één van de in het beleid voorziene situaties. In zo’n geval rest de vraag of de omstandigheden waarin appellant verkeert zodanig bijzonder zijn dat afwijking van het beleid is aangewezen.

4.6.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat van zo’n situatie geen sprake is. De debiteur kan gebruik maken van de door de wetgever geregelde systematiek waarin jaarlijks aan de hand van de draagkracht van de debiteur wordt bezien of, en zo ja tot welk bedrag, aflossing dient plaats te vinden. Appellant maakt van die mogelijkheid ook gebruik. Onder meer over het jaar 2013 is bepaald dat appellant niets hoeft af te lossen.

5.

Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient mitsdien te worden bevestigd.

6.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) Z. Karekezi

EK