Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2363

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2013
Datum publicatie
11-11-2013
Zaaknummer
10-784 WAZ-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Benoeming deskundigen. De opvatting van de deskundige dat betrokkene niet in staat is om meer dan vier uur per dag werkzaam te zijn, is overtuigend gemotiveerd door te verwijzen naar de bij betrokkene bestaande beperkingen en de daardoor veroorzaakte vermoeidheid. Het Uwv heeft geen specifieke bezwaren naar voren gebracht die een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de in het rapport en de brief van 2 juli 2013 neergelegde zienswijze. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/784 WAZ-T

Datum uitspraak: 8 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen

van 29 december 2009, 08/751 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft J.R. Beukema een verweerschrift ingediend.

De door de Raad als deskundige benoemde dr. E.M.H. van den Doel, neuroloog, heeft op

26 oktober 2010 rapport uitgebracht. Betrokkene heeft hierop zijn zienswijze naar voren gebracht en daarbij een stuk van prof. dr. R.J. van den Bosch, psychiater, van

29 november 2010 ingebracht. Appellant heeft een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 29 december 2010 ingebracht waarin wordt gereageerd op het rapport van de deskundige en de zienswijze van betrokkene.

Namens betrokkene zijn nadere stukken ingebracht.

Met een brief van 27 januari 2011 heeft de deskundige gereageerd op de reacties van partijen.

Partijen hebben nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belapavlovic. Namens betrokkene is verschenen

J.R. Beukema

Het onderzoek is heropend na de zitting. In opdracht van de Raad heeft dr. J.W.G. Meissner, psychiater, met een rapport van 4 juli 2012 verslag gedaan van zijn onderzoek en vragen van de Raad beantwoord. Partijen hebben hun zienswijzen daarover naar voren gebracht.

De Raad heeft vervolgens een andere deskundige ingeschakeld. Bij rapport van 4 april 2013 heeft prof. dr. R.A. Schoevers, psychiater, verslag gedaan van zijn onderzoek en vragen van de Raad beantwoord. Partijen hebben hun zienswijzen daarover naar voren gebracht. Met een brief van 2 juli 2013 heeft de deskundige een nadere reactie gegeven op deze zienswijzen.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft bij besluit van 20 december 2002 de aan betrokkene toegekende uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), die was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van

20 februari 2003 ingetrokken. Bij beslissing op bezwaar van 13 november 2003 heeft appellant het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 20 december 2002 niet langer gehandhaafd en de uitkering met ingang van 25 december 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Nadat deze beslissing op bezwaar door de rechtbank bij uitspraak van 5 juli 2005 was vernietigd, heeft appellant, gedurende de hoger beroepsprocedure, bij besluit van 29 juli 2005 de herziening van de WAZ-uitkering per

25 december 2003 gehandhaafd. De Raad heeft het besluit van 29 juli 2005 bij uitspraak van 20 juli 2007 (05/5123 en 05/5314 WAZ) vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Daarbij is geoordeeld dat appellant onvoldoende overtuigend heeft toegelicht waarom de eerder aangenomen duurbeperking is komen te vervallen.

1.2. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft prof. dr. R.J. van den Bosch betrokkene op verzoek van appellant onderzocht en op 10 maart 2008 verslag gedaan van zijn bevindingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapport van 30 mei 2008 te kennen gegeven dat in lijn met de visie van Van den Bosch er geen aanleiding bestaat een urenbeperking aan te nemen. Evenmin is er reden om de eerder voor betrokkene vastgestelde belastbaarheid op andere onderdelen te wijzigen. Appellant heeft vervolgens in de beslissing op bezwaar van 23 juli 2008 (bestreden besluit) de herziening van de WAZ-uitkering per

25 december 2003 gehandhaafd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant opnieuw op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 20 december 2002 moet beslissen. Bij haar oordeel heeft de rechtbank in de rapporten van met name psycholoog M.H. Krijgsveld van

28 juni 2006, psychiater W.H.J. Mutsaers van 4 april 2007 en neuroloog J.U.R. Niewold van 7 mei 2009 aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat er verdergaande beperkingen, waaronder een urenbeperking, moeten worden aangenomen. De rechtbank is er niet van overtuigd geraakt dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is. De juistheid van die grondslag kan niet worden gevonden in het rapport van psychiater Van den Bosch.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat met het uitbrengen van het rapport van psychiater Van den Bosch op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de Raad van 20 juli 2007. Deze heeft geen aanleiding gezien om onder meer een urenbeperking aan te nemen.

3.2.

Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Uit de verschillende door hem ingebrachte medische rapporten dient te worden geconcludeerd dat betrokkene meer en verdergaande beperkingen, waaronder een urenbeperking, had moeten aannemen. Betrokkene heeft voorts aanspraak gemaakt op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep staat centraal de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant verdergaande beperkingen, waaronder een urenbeperking, had moeten aannemen.

4.2.

Mede gezien de door betrokkene in de loop van de procedure ingebrachte medische rapporten is de Raad van oordeel dat twijfel is ontstaan ten aanzien van de juistheid van de door de verzekeringsartsen van appellant aan hun beoordelingen van betrokkene verbonden conclusie. Daarin is aanleiding gezien om in eerste instantie de deskundige Van den Doel en later de deskundigen Meissner en Schoevers te vragen betrokkene te onderzoeken en de Raad van advies te dienen. Aangezien de rapporten van zowel Van den Doel als Meissner onvoldoende duidelijkheid verschaffen over de beperkingen van betrokkene op de datum in geding, heeft de Raad zich genoodzaakt gezien om de deskundige Schoevers te verzoeken om advies.

4.3.

Schoevers heeft in zijn rapport neergelegd dat betrokkene lijdt aan een pijnstoornis, gebonden aan zowel somatische als psychische factoren. Tevens is sprake van insomnia. Betrokkene is op meer onderdelen dan weergegeven in de zogenoemde

Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 januari 2007 beperkt. Zo wordt betrokkene niet in staat geacht gedurende 40 uur per week arbeid te kunnen verrichten.

4.4.

De bezwaarverzekeringsarts geeft onder meer te kennen dat de door Schoevers bij betrokkene geconstateerde beperkingen voor een groot deel zijn opgenomen in de FML van 17 januari 2007. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is niet onderbouwd waarom voor betrokkene een urenbeperking dient te gelden.

4.5.

Op verzoek van de Raad heeft Schoevers gereageerd op de visie van de bezwaarverzekeringsarts. Betrokkene wordt door Schoevers niet in staat geacht om meer dan vier uur per dag te werken, waarbij van groot belang wordt geacht dat er geen sprake is van tijdsdruk, betrokkene de regie houdt over zijn werkzaamheden en de gelegenheid heeft om te pauzeren. Door de beperking op het gebied van de concentratie kost het betrokkene veel moeite om een handeling goed en binnen de daartoe beschikbare tijd uit te voeren. Het onder enige spanning werken kost betrokkene meer moeite dan gemiddeld, waardoor hij snel vermoeid is en meer rustmomenten nodig heeft om te kunnen blijven functioneren, aldus Schoevers.

4.6.

Het rapport van Schoevers, in samenhang met zijn brief van 2 juli 2013, geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en voldoet aan de eisen van inzichtelijkheid en consistentie. De opvatting van de deskundige dat betrokkene niet in staat is om meer dan vier uur per dag werkzaam te zijn, is overtuigend gemotiveerd door te verwijzen naar de bij betrokkene bestaande beperkingen en de daardoor veroorzaakte vermoeidheid. Appellant heeft geen specifieke bezwaren naar voren gebracht die een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de in het rapport en de brief van 2 juli 2013 neergelegde zienswijze. Dat leidt tot de conclusie dat de FML van 17 januari 2007 geen juiste beschrijving bevat van de beperkingen van betrokkene voor het verrichten van arbeid op

25 december 2003.

4.7.

Uit overweging 4.6 volgt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het streven naar finale geschilbeslechting brengt mee dat appellant in het kader van dit hoger beroep met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet zal worden opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen.

4.8.

De opdracht die appellant wordt gegeven impliceert dat op basis van een FML, waarin de door de deskundige Schoevers aangegeven belastbaarheid van betrokkene wordt vertaald, wordt bepaald of voor hem geschikte functies aan betrokkene kunnen worden voorgehouden die dienen ter berekening van zijn mate van arbeidsongeschiktheid en zo ja: welke.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt appellant op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in de beslissing op bezwaar van 23 juli 2008 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2013.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) M.D.F. de Moor

EW