Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2355

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
27-01-2014
Zaaknummer
13-3340 BBZ
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. In geschil is de handhaving van de afwijzing van een verzoek om vergoeding van schade ten gevolge van het - naar verzoekster stelt - onrechtmatige besluit van 11 februari 2010, waarbij haar aanvraag om verlenging van de Bbz-uitkering is afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster geen rechtsmiddelen aangewend. Dit betekent dat dit besluit in rechte onaantastbaar is en derhalve als rechtmatig is aan te merken, tenzij het college dit alsnog als onrechtmatig zou hebben erkend. Verzoekster kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat het besluit van 12 oktober 2011 is aan te merken als een erkenning van de onrechtmatigheid van het besluit van 11 februari 2010. Een erkenning als hier bedoeld zal duidelijk moeten blijken. Het feit dat het college in een later stadium, bij de beoordeling of de verstrekte leenbijstand moet worden teruggevorderd, heeft vastgesteld dat verzoekster een gering positief resultaat heeft behaald, betekent niet dat daarmee de onrechtmatigheid van de indertijd gedane afwijzing van de aanvraag om verlenging van de Bbz-uitkering is erkend. Het college is hiermee immers ook niet teruggekomen van zijn besluit van 11 februari 2010. Het college heeft het verzoek om vergoeding van schade terecht heeft afgewezen. Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3340 BBZ, 13/3900 BBZ-VV

Datum uitspraak: 5 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Opsterland (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. dr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 mei 2013, 12/2735 (aangevallen uitspraak). Tevens is een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het college heeft op verzoek van de Raad nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2013. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Faber. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J. Vonk.

OVERWEGINGEN

1.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoekster ontving van 1 juli 2009 tot 1 november 2009 bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het college heeft de aanvraag van verzoekster voor verlenging van haar Bbz-uitkering bij besluit van 11 februari 2010 afgewezen op de grond dat haar onderneming niet levensvatbaar wordt geacht.

1.2.

Bij besluit van 22 februari 2010 heeft het college verzoekster met ingang van 1 november 2009 tot uiterlijk 1 november 2010 op haar verzoek bijstand verleend als beëindigende zelfstandige in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bbz 2004, in de vorm van een renteloze lening. Hierbij heeft het college verzoekster de verplichting opgelegd haar bedrijfsmatige activiteiten zo spoedig mogelijk te beëindigen.

1.3.

Bij besluit van 12 oktober 2011 heeft het college overeenkomstig het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van het Bbz 2004 het netto inkomen van verzoekster over 2010 definitief vastgesteld en een nadere beslissing genomen met betrekking tot de verleende bijstand. Aangezien uit de door verzoekster verstrekte gegevens bleek dat haar inkomen over kalenderjaar 2010, bestaande uit de inkomsten uit het bedrijf en de Bbz-uitkering, hoger lag dan het geldende bijstandsniveau heeft het college het verschil, een bedrag van € 6.498,61, gehandhaafd als renteloze lening. Dit bedrag heeft het college van verzoekster teruggevorderd. Voor het overige heeft het college de als geldlening verstrekte bijstand omgezet in bijstand om niet.

1.4.

Verzoekster heeft verzocht om vergoeding van de schade die zij heeft geleden doordat het college bij het besluit van 11 februari 2010 haar bedrijf als niet levensvatbaar had aangemerkt.

1.5.

Bij besluit van 28 maart 2012, gehandhaafd bij besluit van 9 oktober 2012 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek om vergoeding van schade afgewezen. Aan de afwijzing heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de besluiten van 11 februari 2010 en 22 februari 2010, zodat deze in rechte onaantastbaar zijn. Het besluit van 11 oktober 2011 (lees: 12 oktober 2011) vormt geen erkenning van de onrechtmatigheid van het besluit van 11 februari 2010. Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is de situatie ten tijde van het primaire besluit bepalend. Dat verzoekster in 2010 meer inkomsten heeft gegenereerd dan de bijstandsnorm maakt het besluit niet onrechtmatig. Het college heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 27 februari 2007, LJN AZ9851.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Verzoekster heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aan het verzoek om voorlopige voorziening heeft verzoekster ten grondslag gelegd dat zij haar woning dreigt te verliezen door een huurachterstand en voorts dat gijzeling dreigt omdat zij de kosten van een autokeuringsbewijs en een autoverzekering niet meer kan betalen. Verzoekster heeft verzocht om een voorschot toe te kennen op de door haar gevorderde vergoeding van schade van € 15.000,-.

4.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.


4.4. In geschil is de handhaving van de afwijzing van een verzoek om vergoeding van schade ten gevolge van het - naar verzoekster stelt - onrechtmatige besluit van 11 februari 2010, waarbij haar aanvraag om verlenging van de Bbz-uitkering is afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster geen rechtsmiddelen aangewend. Dit betekent dat dit besluit in rechte onaantastbaar is en derhalve als rechtmatig is aan te merken, tenzij het college dit alsnog als onrechtmatig zou hebben erkend.

4.5.

Verzoekster kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat het besluit van 12 oktober 2011 is aan te merken als een erkenning van de onrechtmatigheid van het besluit van

11 februari 2010. Een erkenning als hier bedoeld zal duidelijk moeten blijken. Het feit dat het college in een later stadium, bij de beoordeling of de verstrekte leenbijstand moet worden teruggevorderd, heeft vastgesteld dat verzoekster een gering positief resultaat heeft behaald, betekent niet dat daarmee de onrechtmatigheid van de indertijd gedane afwijzing van de aanvraag om verlenging van de Bbz-uitkering is erkend. Het college is hiermee immers ook niet teruggekomen van zijn besluit van 11 februari 2010.

4.6.

Volgens verzoekster heeft het college pas na de hoorzitting betwist dat sprake was van een erkenning en brengt dit mee dat deze betwisting haar niet kan worden tegengeworpen. Dit betoog slaagt niet, reeds omdat het college zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat van een onrechtmatig besluit geen sprake was.

4.7.

Uit wat in 4.5 en 4.6 is overwogen, volgt dat het college het verzoek om vergoeding van schade terecht heeft afgewezen.

4.8.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.9.

Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) A.C. Oomkens

HD