Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2353

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
11-6471 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:5490, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand over periode 1. Schending van de inlichtingenverplichting. Afwijzing algemene bijstand. Geen juiste informatie over verblijfplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6471 WWB

Datum uitspraak: 15 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 september 2011, 11/562 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.R. Hostmann, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. R. Tetteroo, advocaat, heeft zich nadien als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2013. Voor appellante is verschenen mr. Tetteroo. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 maart 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante is gehuwd met [L.] ([L.]) met wie zij vier kinderen heeft. Appellante stond met de kinderen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Op 15 mei 2009 is bij de gemeente Capelle aan den IJssel een anonieme fraudemelding binnengekomen, inhoudende dat appellante al een half jaar niet meer op het uitkeringsadres zou wonen, maar met de vader van haar kinderen zou samenwonen op het adres [adres 2] te [woonplaats]. Verder heeft appellante bij een afspraak met haar werkconsulent op 18 januari 2010 te kennen gegeven dat haar echtgenoot op haar kinderen aan het passen was. Naar aanleiding van de hierdoor gerezen twijfels over de woonsituatie van appellante is in het kader van het project Hoogwaardig Handhaven een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn de verbruiksgegevens opgevraagd van het uitkeringsadres en het adres [adres 2], is informatie ingewonnen bij de leerplichtambtenaar van de gemeente Capelle aan den IJssel en bij de locatiedirecteur van basisschool [naam basisschool] waar de twee oudste kinderen van appellante naar school gaan. Daarnaast zijn waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres en bij het adres [adres 2], is de verhuurder van het adres [adres 2] gehoord en is met appellante een gesprek gevoerd. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 21 augustus 2010.

1.3.

Bij besluit van 13 juli 2010 heeft het college, voorzover hier van belang, de bijstand van appellante met ingang van 1 mei 2010 ingetrokken op de grond dat haar echtgenoot weer bij haar woonachtig is en zij niet langer is aan te merken als alleenstaande ouder. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.

1.4.

Op 15 juli 2010 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van de voorlopige aanslag 2009. Bij besluit van 15 juli (lees: september) 2010

(besluit 1) heeft het college deze aanvraag afgewezen.

1.5.

De onder 1.2 vermelde onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 10 september 2010 (besluit 2) de bijstand met ingang van 1 december 2008 in te trekken en de over de periode van 1 december 2008 tot 1 mei 2010 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 25.424,60 van appellante terug te vorderen.

1.6.

Na het afsluiten van het onder 1.2 vermelde onderzoek is het onderzoek met het oog op een opvolgende aanvraag voortgezet. In dat kader zijn onder meer waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres en is op 1, 6 en 8 september 2010 met appellante gesproken. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 14 september 2010.

1.7.

Op 31 augustus 2010 heeft appellante zich gemeld voor het indienen van een aanvraag om algemene bijstand. Vervolgens heeft zij op 8 september 2010 de aanvraag ingediend. De onder 1.6 vermelde onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 16 september 2010 (besluit 3) de aanvraag af te wijzen.

1.8.

Bij besluit van 16 december 2010 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen besluit 1, besluit 2 en besluit 3 ongegrond verklaard. Met de onderzoeksbevindingen acht het college genoegzaam aangetoond dat appellante in de periode van 1 december 2008 tot 1 mei 2010 haar hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres, maar op het adres [adres 2]. Door van deze wijziging in haar woonsituatie geen melding te maken heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Appellante heeft ook bij de nieuwe aanvraag niet aannemelijk gemaakt dat zij haar hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Omdat over 2009 haar recht op bijstand is ingetrokken, kan appellante ook geen aanspraak maken op de gevraagde bijzondere bijstand.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat de in de rapportages van 21 augustus 2010 en 14 september 2010 neergelegde onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellante geen juiste informatie heeft gegeven over haar verblijfplaats, zodat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Het college was daarom bevoegd om tot intrekking, terugvordering en afwijzing van de aanvragen om algemene- en bijzondere bijstand over te gaan.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. De gronden van appellante komen er kort gezegd op neer dat zij bestrijdt dat zij onjuiste informatie over haar woonsituatie heeft verschaft.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

Het college heeft bij besluit 2 de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. In aanmerking genomen dat bij besluit van 13 juli 2010 de bijstand is ingetrokken met ingang van 1 mei 2010, betekent het voorgaande dat hier beoordeeld dient te worden de periode van

1 december 2008 tot 1 mei 2010 (periode 1).

4.2.

De in de rapportage van 21 augustus 2010 neergelegde onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellante in de periode van 1 december 2008 tot 1 mei 2010 haar hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres, maar op het adres [adres 2]. Daarbij heeft het college betekenis kunnen toekennen aan de verbruiksgegevens van het uitkeringsadres waaruit blijkt dat eind 2008 het elektriciteit- en gasverbruik op het uitkeringsadres extreem is gedaald. Appellante heeft de juistheid van deze gegevens niet weersproken en heeft voor de extreme daling van het verbruik geen verklaring gegeven. Voorts heeft het college belang kunnen hechten aan het feit dat de twee oudste kinderen van appellante sinds december 2008 een basisschool bezoeken die op ongeveer 400 meter is gelegen van de [adres 2] en dat appellante bij de inschrijving van haar kinderen op die school het adres [adres 2] als woonadres heeft vermeld. De daarvoor eerst ter zitting gegeven verklaring dat de kinderen van appellante indertijd vanwege een conflict van school zijn veranderd, is daarvoor niet afdoende. Daarnaast heeft het college belang kunnen hechten aan de verklaring van de eigenaar van de woning aan de [adres 2]. Hij heeft verklaard dat hij tijdens zijn verblijf in het buitenland de woning van augustus 2008 tot en met 30 juni 2010 heeft verhuurd aan een man, genaamd [R.]. De huur van € 1.375,- per maand diende per drie maanden te worden betaald en werd op verzoek van de huurders contant betaald. Meestal haalde zijn vader de huur op die de huur altijd van een vrouw ontving. De eigenaar heeft in maart 2009, toen hij tien dagen in Nederland verbleef, tweemaal de huur zelf opgehaald waarbij appellante de huur eerst voor een maand en later voor de resteerde twee maanden contant aan de deur betaalde. Nadat de huur was opgezegd, vond op 30 juni 2010 de overdracht van de woning plaats waarbij onder meer appellante aanwezig was. Het enkele feit dat de foto waarvan de eigenaar appellante als bewoonster van de woning heeft herkend, zich niet bij de gedingstukken bevindt, is onvoldoende om de gedetailleerde verklaring van de eigenaar van de woning aan de [adres 2] buiten beschouwing te laten. De hiervoor vermelde bevindingen vinden voorts steun in de waarnemingen die in maart en april 2010 bij het uitkeringsadres zijn verricht, waarbij de woning aan het uitkeringsadres een onbewoonde indruk maakte.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat appellante geen juiste informatie heeft verschaft over haar verblijfplaats in periode 1. Daarmee heeft zij niet voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting, als gevolg waarvan het recht op bijstand van appellante in periode 1 niet kan worden vastgesteld. Het college was daarom bevoegd de bijstand over periode 1 in te trekken en terug te vorderen.

Afwijzing aanvraag algemene bijstand

4.4.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 31 augustus 2010 tot en met 16 september 2010 (periode 2).

4.5.

De in de rapportage van 14 september 2010 neergelegde onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellante in de te beoordelen periode niet verbleef op het uitkeringadres. Het college heeft daarbij zwaarwegende betekenis kunnen toekennen aan de bij het uitkeringsadres verrichte waarnemingen. Daaruit komt naar voren dat in de periode van 19 augustus 2010 tot en met

15 september 2010 de woning een onbewoonde indruk maakte, nauwelijks was betreden en de post een keer per week werd opgehaald. Dat appellante aan het verhuizen was en daarom veel afwezig was, is voor die bevindingen geen afdoende verklaring.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat appellante bij de aanvraag om algemene bijstand geen juiste informatie heeft verschaft over haar verblijfplaats. Daardoor kan het recht op bijstand van appellante in periode 2 niet worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag van appellante daarom terecht afgewezen.

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand

4.7.

Tegen de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand heeft appellante in hoger beroep geen zelfstandige gronden aangevoerd. De aangevallen uitspraak behoeft op dat onderdeel daarom geen bespreking.

Conclusie

4.8.

Uit 4.3, 4.6 en 4.7 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Proceskosten

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2013.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) T.A. Meijering

HD