Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2352

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-11-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
12-3447 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat een toekenning van studiefaciliteiten, gelet op het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van het AMAR niet achterwege had mogen blijven. Daarbij is van betekenis dat de loopbaanadviseur in zijn advies heeft neergelegd dat de opleiding van appellante kan worden gezien als een opleiding die ziet op de persoonlijke ontwikkeling ten behoeve van de verbreding van de loopbaanmogelijkheden van appellante. Voorts heeft appellante overtuigend betoogd dat het volgen van de opleiding haar kans vergroot op benoeming in een officiersfunctie dan wel op toelating tot de KMA. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb (oud) aan appellante studiefaciliteiten toekennen voor de HBO-opleiding Psychosociaal Counselor. Over de omvang van deze studiefaciliteiten dient de minister een apart besluit te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/427
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3447 MAW en 13/3844 MAW

Datum uitspraak: 7 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

25 april 2012, 11/6993 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen een tussenuitspraak gedaan op

2 mei 2013, 12/3447 MAW-T (tussenuitspraak).

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de minister op 17 juli 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Namens appellante heeft mr. C. van Kins een zienswijze omtrent dit nieuwe besluit kenbaar gemaakt.

De Raad heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.



OVERWEGINGEN

1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en de tussenuitspraak. Hieraan voegt de Raad het volgende toe.

1.1.

Nu met het besluit van 17 juli 2013 niet geheel aan appellante is tegemoetgekomen, strekt het geding in hoger beroep, gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zich mede uit tot dit nieuwe besluit.

1.2.

De minister heeft bij het besluit van 17 juli 2013 de afwijzing van de studiefaciliteiten gehandhaafd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante gelet op haar aanstelling is bestemd voor onderofficierfuncties waarvoor geen HBO-opleiding is vereist. Binnen de aanstelling zal de opleiding dan ook niet leiden tot een verbreding van de loopbaanmogelijkheden. Voorts is voor de in de opleidingsaanvraag opgenomen functies geen HBO-opleiding nodig. De genoemde functies bij Bedrijfsmaatschappelijk Werk zijn officiersfuncties en passen niet binnen de huidige aanstelling van appellante. Ten slotte is een afgeronde HBO-opleiding geen vereiste voor toelating tot de Koninklijke Militaire Academie (KMA). Gelet op de selectieprocedure voor de toelating tot de KMA is het niet op voorhand aan te geven of de opleiding zal leiden tot verbreding van de loopbaanmogelijkheden.

1.3.

Appellante kan zich met dit nieuwe besluit niet verenigen. Zij voert daartoe aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het in beginsel positieve loopbaanadvies. Zij wil de HBO-opleiding volgen om doorstroom naar officiersrangen mogelijk te maken. Ten onrechte heeft de minister artikel 16, eerste lid, van het AMAR dermate eng uitgelegd dat alleen opleidingen worden toegestaan voor functies waaraan dezelfde rang is verbonden als de rang die de militair reeds bezit. Voor verticale ontwikkeling is daardoor geen ruimte. Dat komt niet overeen met wat in de Nota van Toelichting is vermeld. Voorts is het binnen het ‘up or out’ systeem noodzakelijk om tijdig door te stromen naar een hogere rang. Met de aanvraag voor de opleiding vergroot appellante de kans daartoe. Zij handelt met haar aanvraag dan ook volledig in lijn met het systeem. Appellante erkent dat het volgen van de opleiding niet automatisch leidt tot benoeming in officiersfuncties dan wel tot toelating tot de KMA, maar haar kans daarop wordt wel vergroot. Bovendien komt de opleiding ten goede aan haar persoonlijke ontwikkeling. Ten slotte heeft de minister ten onrechte niet onderzocht of en zo ja in hoeverre er voor appellante daadwerkelijk loopbaanmogelijkheden zijn in de op de opleidingsaanvraag genoemde functies. Zij verzoekt de Raad het besluit van 17 juli 2013 te vernietigen en zelf te voorzien door het toekennen van studiefaciliteiten.

2.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

De Raad volgt appellante in haar betoog dat de minister de zinsnede ‘ten behoeve van de verbreding van de loopbaanmogelijkheden’ in het nieuwe besluit te beperkt heeft uitgelegd. Uit paragraaf 2.4.3 van de Nota van Toelichting (Stb. 2011, 21) leidt de Raad af dat, rekening houdend met de wensen, verwachtingen en capaciteiten van de militair, gekeken dient te worden naar zowel de mogelijkheden binnen het eigen loopbaanspoor als naar andere loopbaansporen, binnen of buiten het eigen defensieonderdeel. Gelet daarop kan een verzoek van een onderofficier als appellante niet worden afgewezen op de grond dat een opleiding is gericht op het verkrijgen van een functie waaraan een officiersrang is verbonden.

2.2.

Appellante wordt ook gevolgd in haar stelling dat de minister geen rekening heeft gehouden met het in beginsel positieve loopbaanadvies. De minister heeft dit loopbaanadvies niet betrokken bij de beantwoording van de vraag of tot toekenning van studiefaciliteiten moet worden overgegaan en evenmin gemotiveerd waarom aan dit, in beginsel positieve advies voorbij is gegaan.

2.3.

Ook geeft het nieuwe besluit er geen blijk van dat de minister daadwerkelijk de loopbaanmogelijkheden voor appellante binnen Defensie heeft onderzocht. De minister heeft volstaan met een toelichting dat functies binnen de bestemming geen HBO-opleiding vereisen en voor zover het officiersfuncties betreft appellante daar gelet op haar bestemming niet voor in aanmerking komt. Daarmee is nog altijd niet duidelijk geworden welke loopbaanmogelijkheden er binnen Defensie daadwerkelijk zijn voor appellante. Bovendien heeft de minister daarbij, gelet op hetgeen is overwogen in 2.1, wederom ten onrechte de bestemming van appellante bepalend geacht.

2.4.

Het voorgaande betekent dat het besluit van 17 juli 2013 niet in stand kan blijven. De Raad is van oordeel dat een toekenning van studiefaciliteiten, gelet op het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van het AMAR niet achterwege had mogen blijven. Daarbij is van betekenis dat de loopbaanadviseur in zijn advies heeft neergelegd dat de opleiding van appellante kan worden gezien als een opleiding die ziet op de persoonlijke ontwikkeling ten behoeve van de verbreding van de loopbaanmogelijkheden van appellante. Voorts heeft appellante overtuigend betoogd dat het volgen van de opleiding haar kans vergroot op benoeming in een officiersfunctie dan wel op toelating tot de KMA. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb (oud) aan appellante studiefaciliteiten toekennen voor de HBO-opleiding Psychosociaal Counselor. Over de omvang van deze studiefaciliteiten dient de minister een apart besluit te nemen.

2.5.

De Raad komt op grond van de tussenuitspraak en het overwogene onder 2.1 tot en met 2.4 tot de onder III vermelde beslissing.

3.

Er bestaat aanleiding de minister te veroordelen in de kosten van appellante. Deze bedragen € 472,- in bezwaar, € 944,- in beroep en € 1.180.- in hoger beroep aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 november 2011 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 juli 2013 eveneens gegrond en vernietigt ook

dat besluit;

- bepaalt dat aan appellante studiefaciliteiten worden toegekend voor de HBO-opleiding

Psychosociaal Counselor;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van

17 juli 2013;

- bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van € 384,- vergoedt;

- veroordeelt de minister in de kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van

€ 2.596,-.


Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

J.Th. Wolleswinkel en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2013.

(getekend) N. J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) M.R. Schuurman

HD