Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2351

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-11-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
12-847 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plichtsverzuim. Appellant had een inkoopfunctie en was uit dien hoofde bevoegd om artikelen aan te schaffen ten behoeve van onderhoud. Een werkgever moet erop kunnen vertrouwen dat een dergelijke bevoegdheid niet wordt gebruikt voor de aanschaf van privé-artikelen. Verder is van betekenis dat de instelling door het handelen van appellant financieel is benadeeld. Het langdurig dienstverband van appellant en de persoonlijke gevolgen van het gegeven ontslag doen niet af aan de conclusie dat hij heeft gehandeld in strijd met de eisen van integriteit en daardoor het in hem te stellen vertrouwen onherstelbaar heeft geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/847 AW

Datum uitspraak: 7 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 december 2011, 11/2158 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C. van Vlooten hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. W.D. de Vos, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Vlooten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Vos, B.J. Haan en A.J.M. van Rijswijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sinds 1 september 1994 werkzaam bij de [naam gemeentelijke instelling] Amsterdam in de functie van Technisch medewerker/huismeester bij de Unit Huisvesting van de afdeling Facilitair Bedrijf en belast met het onderhoud van 40 panden van de [naam gemeentelijke instelling].

1.2. Op 29 juli 2010 heeft appellant diverse artikelen - voornamelijk

schildersbenodigdheden - afgehaald bij de firma[naam firma] (firma), ter waarde van

€ 140,32. Op 13 augustus 2010 heeft het college hiervoor een factuur ontvangen, zonder vermelding van een inkoopnummer en een topdesknummer. Het hoofd Huisvesting (hoofd) en de coördinator Security en Safety (coördinator) hebben vervolgens op dezelfde dag de werkplaats en andere opslagruimten van de afdeling Huisvesting bezocht en geconstateerd dat de op de factuur vermelde artikelen aldaar niet aanwezig waren. Appellant heeft in een gesprek op 23 augustus 2010 met het hoofd verklaard dat de gekochte artikelen voor de eigen voorraad van Huisvesting waren bestemd. Meteen daarna heeft appellant samen met het hoofd de werkplaats bezocht teneinde appellant de artikelen te laten tonen. Het hoofd constateerde daar dat twee door appellant getoonde plamuurmessen en twee kwasten niet overeenkwamen met de vermelding op de factuur. Na een vraag van het hoofd waar de stoffer en blik

- eveneens vermeld op de factuur - waren, verklaarde appellant dat hij de spullen mee naar huis had genomen. Appellant gaf te kennen dat hem dat speet en dat hij de spullen terug zou brengen. In een gesprek op 24 augustus 2010 heeft appellant in een gesprek met het hoofd Facilitair bedrijf en een P&O-adviseur verklaard dat hij spullen bij de firma heeft afgehaald en dat daar ook spullen voor hemzelf bij zaten. Hij had namelijk twee plamuurmessen en wat kwasten meegenomen om thuis te klussen. Hij gaf in dit gesprek te kennen dat dit fout was en dat hij daar spijt van heeft.

1.3. Bij besluit van 24 augustus 2010 (schorsingsbesluit) is appellant met onmiddellijke ingang geschorst op grond van artikel 13.2, eerste lid, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) in afwachting van nader onderzoek.

1.4. In het kader van het nader onderzoek is met appellant op 14 september 2010 een verantwoordingsgesprek gevoerd. Hij heeft daarbij verklaard dat hij niet bewust spullen voor zichzelf heeft gekocht, maar dat hij deze heeft aangeschaft voor de werkplaats. Hij heeft ze mee naar huis genomen, wat een zeer stomme zet was. Bij een controle op 15 september 2010 heeft het hoofd geconstateerd dat er na 24 augustus 2010 artikelen terug zijn gebracht. Vervolgens heeft het hoofd op 21 september 2010 een gesprek gevoerd met K, een collega van appellant. K heeft toen verklaard dat hij op verzoek van appellant een aantal spullen naar de werkplaats heeft gebracht, waaronder een aantal goederen die appellant mee naar huis had genomen. Appellant had die goederen ’s avonds bij K thuis gebracht, met het verzoek deze terug te leggen in de werkplaats.

1.5. Op basis van de onderzoeksresultaten heeft het college appellant, na het voornemen daartoe, bij besluit van 16 november 2010 (ontslagbesluit) met onmiddellijke ingang primair onvoorwaardelijk strafontslag verleend als bedoeld in artikel 13.4 in verbinding met

artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder f, van de NRGA en subsidiair ongeschiktheidsontslag als bedoeld in artikel 12.12, aanhef en onder a, van de NRGA.

1.6. Het college heeft bij besluit van 17 maart 2011 (bestreden besluit) de bezwaren tegen het schorsingsbesluit en het ontslagbesluit ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant zich schuldig gemaakt heeft aan plichtsverzuim doordat hij op kosten van de [naam gemeentelijke instelling] Amsterdam artikelen voor privégebruik heeft aangeschaft.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Schorsing

4.1.

Appellant heeft met juistheid aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat appellant bezwaar heeft gemaakt tegen het schorsingsbesluit. De rechtbank heeft voorts verzuimd uitspraak te doen op het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de schorsing.

4.2.

Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit voor zover het deze schorsing betreft, ongegrond verklaren. De Raad overweegt daartoe als volgt.

4.3.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het college ten onrechte heeft nagelaten een beslissing te nemen op zijn bezwaar tegen het schorsingsbesluit. Appellant wordt hierin niet gevolgd. Het college heeft in het bestreden besluit verwezen naar het advies van de Hoor- en Adviescommissie en dit advies ten grondslag gelegd aan het besluit. In dit advies wordt het college geadviseerd het bezwaar tegen het schorsingsbesluit ongegrond te verklaren. Aldus bestaat geen grond voor het oordeel dat bij het bestreden besluit niet tevens op het bezwaar tegen het schorsingsbesluit heeft beslist.

Ontslag

4.4.

In artikel 11.1 van de NRGA is bepaald dat de ambtenaar de hem gegeven voorschriften opvolgt en in het algemeen alles behoort te doen of na te laten wat van een goed ambtenaar mag worden verwacht. In artikel 13.4 van de NRGA is bepaald dat de ambtenaar kan worden gestraft als hij zich niet gedraagt overeenkomstig artikel 11.1 en zich daarmee schuldig maakt aan plichtsverzuim.

4.5.

Op grond van de onderzoeksgegevens en de door appellant afgelegde verklaringen concludeert de Raad dat appellant de hem verweten gedraging heeft begaan.

4.6.

Appellant stelt in hoger beroep dat hij alle artikelen die hij op 29 juli 2010 bij de firma heeft opgehaald nu bij de [naam gemeentelijke instelling] heeft opgeborgen en een dag later twee plamuurmessen, twee kwasten en een stanleymes mee naar huis heeft genomen. Ook stelt hij dat hij de artikelen die hij mee naar huis heeft genomen, op 24 augustus 2010 weer terug heeft gebracht naar de [naam gemeentelijke instelling]. Appellant heeft echter geen verklaring kunnen geven voor de conclusie van het hoofd en de coördinator dat op 13 augustus 2010 de artikelen zoals vermeld op de factuur - inclusief de andere artikelen dan de vijf door appellant genoemde - niet in de werkplaats en de andere opslagruimten aanwezig waren. Ook heeft appellant deze artikelen op 23 augustus 2010 niet kunnen tonen. Voorts heeft appellant de verklaring van K dat appellant hem heeft verzocht om een aantal spullen die hij eerder mee naar huis had genomen weer terug te leggen, niet afdoende kunnen weerleggen. Aan deze verklaring moet betekenis worden gehecht aangezien bij een controle op 15 september 2011 is gebleken dat er na 24 augustus 2010 artikelen terug zijn gebracht.

4.7.

Of de gedraging van appellant moet worden aangemerkt als diefstal of verduistering, is voor de vraag of er sprake is van plichtsverzuim niet van belang. De strafrechtelijke kwalificatie van de gedraging van appellant kan dan ook buiten bespreking blijven.

4.8.

De hiervoor besproken verweten gedraging levert plichtsverzuim op, zodat het college bevoegd was om appellant een disciplinaire straf op te leggen.

4.9.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Appellant had een inkoopfunctie en was uit dien hoofde bevoegd om namens de [naam gemeentelijke instelling] artikelen aan te schaffen ten behoeve van onderhoud. Een werkgever moet erop kunnen vertrouwen dat een dergelijke bevoegdheid niet wordt gebruikt voor de aanschaf van privé-artikelen. Verder is van betekenis dat de [naam gemeentelijke instelling] door het handelen van appellant financieel is benadeeld. Het langdurig dienstverband van appellant en de persoonlijke gevolgen van het gegeven ontslag doen niet af aan de conclusie dat hij heeft gehandeld in strijd met de eisen van integriteit en daardoor het in hem te stellen vertrouwen onherstelbaar heeft geschonden.

4.10.

Uit 4.5 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep voor zover het betrekking heeft op het ontslagbesluit niet slaagt.

5.

De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij niet is beslist over het beroep tegen

het besluit van 17 maart 2011, voor zover dat betrekking heeft op de schorsing;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 maart 2011, voor zover dat betrekking heeft op

de schorsing, ongegrond;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 944,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 227,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en E.J.M. Heijs en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2013.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) B. Rikhof

HD