Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2350

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-11-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
12-5696 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toekenningen op grond van de Wubo. Zonder aan de ernst van de klachten af te doen, moet toch worden vastgesteld dat van (zeer) ingrijpende gevolgen als bedoeld in criterium C niet is gebleken. Indien de sociale en financiële situatie waarin appellante verkeert al kan worden beschouwd als schrijnend, ligt daaraan geen ernstig en ingrijpend oorlogsleed als bedoeld in criterium D ten grondslag. Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen waarin verweerder aanleiding had moeten vinden om de anti hardheidsclausule toe te passen. Dat appellante zoals naar voren komt uit haar geschriften de Nederlandse taal uitstekend beheerst en nog altijd sterk is georiënteerd op de Nederlandse cultuur, is daarvoor niet voldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5696 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats], Indonesië (appellante)

de Pensioen en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 31 augustus 2012, kenmerk BZ01450562 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940‑1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2013. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is in 1931 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. In september 2002 heeft zij een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wubo. Deze aanvraag is afgewezen op de grond dat appellante niet in Nederland woonachtig is en evenmin beschikt over de Nederlandse nationaliteit.

1.2.

Na het vervallen van het zogeheten woonplaatsvereiste heeft appellante in oktober 2011 opnieuw een aanvraag ingediend. Bij besluit van 27 januari 2012 heeft verweerder erkend dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld. Daartoe is aanvaard dat zij in de Bersiap-periode geïnterneerd is geweest in kamp Langsee te Pati. De aanvraag is echter afgewezen op grond van de overweging dat appellante niet de Nederlandse maar de Indonesische nationaliteit bezit en dat niet is gebleken van zeer bijzondere omstandigheden die het tot een klaarblijkelijke hardheid zouden maken om de Wubo niet toe te passen.

1.3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2.

Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1.

Volgens artikel 3, eerste lid, van de Wubo is deze wet, voor zover in dit geding van belang, van toepassing op degene die in de naoorlogse jaren als burger getroffen is door oorlogsgeweld en op dat moment Nederlander was dan wel Nederlands onderdaan, op voorwaarde dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

2.2.

Vast staat dat appellante in de oorlogsjaren Nederlands onderdaan of Nederlandse was. Thans heeft zij echter niet meer de Nederlandse nationaliteit. Zij behoort dan ook in beginsel niet tot de kring van rechthebbenden van de Wubo.

2.3.

In artikel 3, tweede lid, van de Wubo is geregeld dat deze wet ook kan worden toegepast op de persoon die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, als het niet toepassen van de wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

2.4.

Bij de toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wubo maakt verweerder onderscheid tussen vier groepen van personen. Appellante behoort tot groep IV: personen die altijd in Indonesië zijn blijven wonen en thans de Indonesische nationaliteit bezitten. Ten aanzien van deze groep maakt verweerder van zijn bevoegdheid gebruik in zeer bijzondere omstandigheden.

2.4.1.

Ten tijde van het bestreden besluit keek verweerder naar:

A. Aard en ernst van de oorlogsomstandigheden. Als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt ernstige verminking door oorlogsgeweld of opname in een psychiatrische inrichting als gevolg van de oorlogsgebeurtenissen.

B. De reden van verlies van de Nederlandse nationaliteit. Als bijzondere omstandigheid wordt aangemerkt dat iemand na de souvereiniteitsoverdracht de Nederlandse nationaliteit heeft behouden, maar deze door omstandigheden buiten zijn macht heeft moeten opgeven.

C. De reden van het niet emigreren naar Nederland. Als bijzondere omstandigheid wordt aangemerkt dat iemand toestemming heeft gekregen om naar Nederland te komen, maar door omstandigheden buiten zijn macht hiervan geen gebruik heeft kunnen maken.

D. Overige omstandigheden. Hierbij worden de sociale en financiële omstandigheden beoordeeld. Het leven zonder eigen inkomsten of een schrijnende vereenzaming worden onder andere als bijzondere omstandigheden aangemerkt.

2.4.2.

Verweerder heeft de weging als volgt omschreven:

Er is sprake van zeer bijzondere omstandigheden als aan een combinatie van criterium A met criterium B en/of C wordt voldaan. Criterium D geldt alleen als aanvullend criterium bij twijfel of er volledig aan bovenstaande combinatie is voldaan.

2.5.

In eerdere uitspraken, die betrekking hadden op personen van groep I en groep II, heeft de Raad vergelijkbare criteria, mits niet limitatief opgevat, op zichzelf aanvaardbaar geacht. Niet met een redelijke beleidsbepaling te verenigen vond de Raad echter  kort gezegd  de koppelingen die verweerder tussen deze criteria had gelegd (bijvoorbeeld CRvB 30 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX6125). De Raad komt ten aanzien van groep IV niet tot een ander oordeel. Het bestreden besluit is op dit deels onjuiste beleid gebaseerd en derhalve niet deugdelijk gemotiveerd. Het komt wegens strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde motiveringsbeginsel voor vernietiging in aanmerking.

3.

De Raad zal bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

3.1.

Na het nemen van het bestreden besluit heeft verweerder een gewijzigd beleid vastgesteld. Daarmee beoogt verweerder tegemoet te komen aan de onder 2.5 bedoelde rechtspraak.

3.1.1.

Wat betreft groep IV, waartoe de Raad zich thans beperkt, wordt volgens dit beleid gekeken naar:

A. De reden van verlies van de Nederlandse nationaliteit. Als bijzondere omstandigheid wordt aangemerkt dat iemand na de souvereiniteitsoverdracht de Nederlandse nationaliteit heeft behouden, maar deze door omstandigheden buiten zijn macht heeft moeten opgeven.

B. De reden van het niet emigreren naar Nederland. Als bijzondere omstandigheid wordt aangemerkt dat iemand toestemming heeft gekregen om naar Nederland te komen, maar hiervan door omstandigheden buiten zijn macht geen gebruik heeft kunnen maken.

C. Aard en ernst van de oorlogsgebeurtenis en de daaruit voortvloeiende gezondheidsproblemen. Als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt ernstige verminking, het missen van ledematen door bombardement, beschieting of mishandeling, dan wel opname in een psychiatrische inrichting als gevolg van de oorlogsgebeurtenissen.

D. Overige omstandigheden. Hierbij gaat het om schrijnende leefsituaties die aan het ondergane ernstige en ingrijpende oorlogsleed zijn toe te schrijven. Gedacht kan worden aan de huidige sociale omgeving of financiële omstandigheden, bijvoorbeeld aangewezen zijn op liefdadigheid, geen eigen inkomsten, schrijnende vereenzaming zonder sociaal vangnet, of een inkomen ver onder het sociaal minimum van het woonland.

3.1.2.

De weging wordt thans aldus omschreven. Wanneer aan één van de criteria A‑D is voldaan, is er sprake van zeer bijzondere omstandigheden en kan de anti-hardheidsbepaling worden toegepast. De onder A tot en met D omschreven situaties zijn uitsluitend bedoeld als voorbeelden.

3.2.

De Raad stelt vast dat verweerder niet langer een koppeling tussen de vier aspecten aanbrengt. Verder merkt verweerder de gegeven voorbeelden uitdrukkelijk aan als niet-limitatief. Daarmee voldoet het beleid thans aan hetgeen is overwogen in de onder 2.5 bedoelde uitspraken. Dit aangepaste beleid blijft binnen de grenzen van artikel 3, tweede lid, van de Wubo en kan op zichzelf als een redelijke invulling van die anti-hardheidsbepaling worden aanvaard.

3.3.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder uiteengezet dat nadere informatie bij appellante is opgevraagd inzake de mogelijke toepassing van criterium D. Na ontvangst daarvan is de conclusie van verweerder dat appellante aan geen van de vier criteria voldoet. De Raad kan verweerder daarin volgen. Als reden voor het verlies van de Nederlandse nationaliteit heeft appellante slechts aangegeven dat zij bij een beroving haar Nederlandse paspoort is kwijtgeraakt. De reden om niet te emigreren was dat zij het contact met haar familie is kwijtgeraakt en pas na jaren heeft vernomen dat familieleden naar Nederland waren geëmigreerd. Haar oorlogsomstandigheden hebben geleid tot traumatische herinneringen, met angsten, nachtmerries en hoofdpijn. Zij heeft nog een litteken van de steekwond die een Japanner haar toebracht toen zij op Koninginnedag het Wilhelmus zong. Voorts heeft zij sinds enkele jaren last van gewrichtsklachten en rugpijn. Zonder aan de ernst van deze klachten af te doen, moet toch worden vastgesteld dat van (zeer) ingrijpende gevolgen als bedoeld in criterium C niet is gebleken. Indien de sociale en financiële situatie waarin appellante verkeert al kan worden beschouwd als schrijnend, ligt daaraan geen ernstig en ingrijpend oorlogsleed als bedoeld in criterium D ten grondslag.

3.4.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen waarin verweerder aanleiding had moeten vinden om de anti‑hardheidsclausule toe te passen. Dat appellante  zoals naar voren komt uit haar geschriften  de Nederlandse taal uitstekend beheerst en nog altijd sterk is georiënteerd op de Nederlandse cultuur, is daarvoor niet voldoende. De Raad ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid (oud), van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten. Vergoeding van griffierecht wordt niet gelast, nu verweerder dit reeds voor zijn rekening heeft genomen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2012 gegrond en vernietigt dit besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2013.

(getekend) R. Kooper

(getekend) S.K. Dekker

HD

Q