Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2348

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-11-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
11-7041 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Het wegzenden van appellant kan niet op grond van artikel 8:1, tweede lid, van de Awb met een besluit worden gelijkgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/2420
ABkort 2013/413
TAR 2014/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7041 MAW, 12/1008 MAW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's‑Gravenhage van 26 oktober 2011, 11/4995 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Defensie (appellant)

[Betrokkene] te[woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en op 18 januari 2012 een nieuw besluit genomen.

Betrokkene heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het nieuwe besluit. De rechtbank heeft het beroepschrift doorgezonden aan de Raad.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2013. Betrokkene is verschenen. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.M.R. van den Ende.

Betrokkene heeft ter zitting een verzoek om wraking ingediend. Dit verzoek is door de Raad bij uitspraak van 11 juli 2013 afgewezen.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 26 september 2013. Betrokkene is verschenen. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.N. Koster.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene is aangesteld bij het reservepersoneel van de krijgsmacht. Op 19 november 2010 heeft hij deelgenomen aan een schiet(instructie)cursus. Tijdens deze bijeenkomst is hij door een functionaris van de Nederlandse Reservisten Federatie Krijgsmacht (NRFK) van verdere deelname uitgesloten. Daarbij is hem te kennen gegeven dat deelname alleen open staat voor reservisten met een actieve status. Tegen dit wegzenden heeft betrokkene bij appellant bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij besluit van 27 april 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat betrokkene door het wegzenden niet in zijn rechtspositionele belangen is geraakt en dat van enig rechtsgevolg geen sprake is.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is het wegzenden een handeling van appellant waardoor betrokkene rechtstreeks in zijn belang als ambtenaar is geraakt. Voor zover betrokkene van mening was dat appellant een dwangsom heeft verbeurd door niet tijdig op zijn bezwaar te beslissen, overwoog de rechtbank dat betrokkene appellant te vroeg in gebreke heeft gesteld.

3.

Bij het nieuwe besluit van 18 januari 2012 heeft appellant, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, opnieuw op het bezwaar van betrokkene beslist. Het bezwaar is ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat betrokkene als reservist geen functie toegewezen heeft gekregen maar op een verzamelarbeidsplaats is geplaatst. Reservisten van deze categorie onderhouden hun schietvaardigheid niet. Betrokkene is dan ook terecht uit de schietcursus verwijderd, aldus appellant.

4.

In hoger beroep komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.1.

Hetgeen de rechtbank heeft overwogen over het niet verbeuren van een dwangsom door appellant, valt thans buiten de omvang van het geding. Het hoger beroep van appellant heeft hierop geen betrekking en betrokkene heeft van zijn kant geen hoger beroep ingesteld. Dat hij wel beroep heeft ingesteld tegen het nieuwe besluit van 18 januari 2012, maakt dit niet anders. De termijn voor hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak was op dat moment reeds verstreken. Het besluit van 18 januari 2012 handelt niet over de dwangsom en hoefde daarover ook niet te handelen, omdat de rechtbank appellant op dat punt - stellig en onvoorwaardelijk - in het gelijk had gesteld. De kwestie van de dwangsom kan dus niet meer aan de orde komen.

4.2.

Ingevolge de artikelen 7:1 en 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan  voor zover hier van belang  de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep open tegen een besluit. In artikel 8:1, tweede lid, wordt met een besluit gelijkgesteld een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig belanghebbende is.

4.3.

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting stellen buiten twijfel dat de schietcursus werd georganiseerd door de NRFK. Dat appellant personeel van Defensie heeft aangewezen om de schietcursus te geven en ook materiële faciliteiten van Defensie ter beschikking heeft gesteld  schietbaan, cursusruimte, cursusmateriaal, voeding, verzorging van de oproepingen en dergelijke  doet daaraan niet af. Dit is gebeurd ter uitvoering van de overeenkomst betreffende aanvullende ondersteuning door het Ministerie van Defensie van de NRFK (Overeenkomst), die op 20 november 2009 tussen appellant en de NRFK is gesloten. Op grond van de Overeenkomst ondersteunt appellant activiteiten van de NRFK, waaronder schietactiviteiten, die een meerwaarde hebben voor de inzetbaarheid en beschikbaarheid van reservisten. Dit maakt de activiteiten echter nog niet tot activiteiten van Defensie. Het zijn en blijven activiteiten van de NRFK.

4.4.

De NRFK is een (overkoepelende) belangenvereniging voor reservisten, een zelfstandige rechtspersoon naar burgerlijk recht. Niet is gesteld of gebleken dat zij  dan wel haar bestuur of ander verenigingsorgaan  ten aanzien van de schietcursussen met enig openbaar gezag is bekleed. De NRFK is dus geen bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Awb.

4.5.

Het wegzenden van betrokkene door een functionaris van de NRFK was dan ook geen handeling van een bestuursorgaan. Dat appellant van mening is dat betrokkene terecht is weggestuurd, leidt niet tot een ander oordeel. Appellant heeft over het wegsturen geen rechtstreekse zeggenschap. Hoogstens kan appellant de NRFK erop aanspreken indien de Overeenkomst niet naar tevredenheid wordt uitgevoerd.

4.6.

Gelet op het vorenstaande kan het wegzenden van appellant niet op grond van artikel 8:1, tweede lid, van de Awb met een besluit worden gelijkgesteld. Appellant heeft dus  wat er zij van de daartoe aangevoerde gronden  het bezwaar van betrokkene terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep treft doel. De aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep bestreden, zal worden vernietigd. Het beroep van betrokkene wordt alsnog ongegrond verklaard.

5.

Het nieuwe besluit van 18 januari 2012 wordt met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 (oud), in samenhang met artikel 6:24, van de Awb bij de procedure in hoger beroep betrokken. Met het vorenstaande is aan dit besluit de grondslag ontvallen. Het zal daarom eveneens worden vernietigd.

6.

Aan een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het wegzenden van betrokkene komt de Raad niet toe. Dit is een privaatrechtelijke kwestie tussen betrokkene en de NRFK. Daarover kan uitsluitend worden geprocedeerd bij de burgerlijke rechter. Er is dus voor de Raad ook geen aanleiding om daarover  zoals betrokkene heeft gevraagd  nog getuigen te horen of nadere stukken af te wachten.

7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep ongegrond;

- vernietigt het besluit van 18 januari 2012.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2013.

(getekend) R. Kooper

(getekend) S.K. Dekker

HD

Q