Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2347

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-11-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
12-4348 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaald verzoek. Geen sprake van nieuwe feiten of gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4348 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 juli 2012, kenmerk BZ01422059 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2013. Namens appellante zijn verschenen mr. Van Berkel en [naam ondersteuner]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is geboren in 1934 in het toenmalige Nederlands-Indië. In oktober 1996 heeft zij bij verweerder een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en om toekenning van onder meer een periodieke uitkering. Die aanvraag is door verweerder afgewezen bij besluit van 27 juni 1996, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 oktober 1997, op de grond dat appellante geen gebeurtenissen heeft ondergaan die onder de werkingssfeer van de Wubo kunnen worden gebracht. In dat verband is door verweerder overwogen dat de mishandeling door de Japanner [T.] niet kan worden aangemerkt als een handeling of maatregel welke door of namens de vijandelijke bezettende macht tegen appellante werd gericht, zoals bedoeld in artikel 2 van de Wubo. Tegen het besluit van 31 oktober 1997 is geen beroep ingesteld.

1.2.

Bij besluit van 30 juni 2000, 11 augustus 2003 en 27 november 2007 heeft verweerder afwijzend beslist op verzoeken van appellante om het besluit van 31 oktober 1997 te herzien. Verweerder heeft deze afwijzingen gebaseerd op de grond dat appellante geen nieuwe feiten of gegevens naar voren heeft gebracht die tot een ander beslissing zouden moeten leiden. Ook hiertegen heeft appellante geen rechtsmiddelen ingesteld.

1.3.

In september 2011 is namens appellante opnieuw een aanvraag ingediend in het kader van de Wubo. Daarbij is gewezen op het besluit in het kader van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) waarbij appellante is aangemerkt als oorlogsslachtoffer onder meer vanwege de door [T.] gepleegde mishandelingen. Bij besluit van 20 december 2011, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat geen sprake is van nieuwe feiten of gegevens.

2.

Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

2.1.

De door appellante genoemde mishandeling door [T.] is al beoordeeld bij de beslissing op de onder 1.1 genoemde aanvraag. Dat brengt mee dat de Raad gelet op het bepaalde in artikel 61, derde lid, van de Wubo het bestreden besluit in zoverre slechts met terughoudenheid kan toetsen. Daarbij staat centraal of appellante feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die verweerder bij de besluitvorming over de eerdere aanvraag niet bekend waren en waarin verweerder aanleiding had moeten zien om tot herziening over te gaan.

2.2.

Van dergelijke gegevens is de Raad niet gebleken. Bij het aanmerken van appellante als oorlogsgetroffene in het kader van de AOR heeft een grote rol gespeeld dat de Commissie Algemene Oorlogsgevallenregeling er aanvankelijk ten onrechte vanuit is gegaan dat het de pleegmoeder (“tante”) was die een relatie onderhield met [T.]. Verweerder daarentegen is bij de eerste aanvraag al uitgegaan van het juiste gegeven, namelijk dat het tante’s dochter (Rika) was die een relatie had met [T.]. Van een nieuw feit is dan ook geen sprake. Dat appellante (en haar zus) moest wonen in een schuur(tje) kan evenmin gelden als een relevant nieuw feit. Het was immers de tante die beide meisjes daartoe had gedwongen. Ook verder is niets aangevoerd waardoor de afwijzing van de eerdere aanvraag niet langer kan worden gehandhaafd.

2.3.

Gezien het voorgaande moet het beroep ongegrond worden verklaard.

3.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2013.

(getekend) R. Kooper

(getekend) S.K. Dekker

HD