Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2340

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-11-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
12-5845 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en om toekenning van een toeslag en voorzieningen. Geen directe betrokkenheid bij de oorlogsgebeurtenissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5845 WUBO

Datum uitspraak: 7 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 oktober 2012, kenmerk BZ01490626 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2013. Daar is appellante verschenen, bijgestaan door [naam gemachtigde]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1941, heeft in september 2011 bij verweerder een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en om toekenning van een toeslag en voorzieningen op grond van die wet.

1.2.

Bij besluit van 6 juni 2012 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen gerichte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft overwogen dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appelante is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo.

2.

Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1.

In artikel 2 van de Wubo is bepaald dat - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer wordt verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen ten gevolge van met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden, dan wel ten gevolge van handelingen of maatregelen welke door of namens de vijandelijke bezettende macht tegen hem werden gericht, ten gevolge waarvan hij blijvend invalide is geworden. Hieruit volgt dat als eerste voorwaarde geldt dat de aanvrager (direct) betrokken is geweest bij oorlogsgeweld.

2.2.

De Raad kan verweerder volgen in diens standpunt dat in het geval van appellante niet is gebleken van gebeurtenissen die onder de werking van de Wubo kunnen worden gebracht. Appellante heeft aangegeven geen echte herinneringen te hebben aan oorlogsgebeurtenissen tijdens de Duitse bezetting. Wel heeft zij tijdens haar verblijf in het kindertehuis in Groningen lawaai gehoord van beschietingen die op betrekkelijk korte afstand hebben plaatsgevonden. Dat op grond van historische gegevens vaststaat dat er beschietingen op enkele honderden meters afstand van het kindertehuis hebben plaatsgevonden, kan op zichzelf niet leiden tot het aannemen van een directe betrokkenheid daarbij zoals de Wubo vereist. Zo is voor een betrokkenheid onder meer van belang of de betrokkene zelf gewond is geraakt of rechtstreeks geconfronteerd is geweest met verwondingen of het omkomen van naasten (CRvB 13 oktober 2011 ECLI:NL:CRVB:2011:BT7670). Appellante heeft daarvan geen melding gemaakt.

2.3.

Appellante heeft nog gewezen op haar vermoedelijk joodse afkomst. Daargelaten de onduidelijkheden hierover, een joodse afkomst alleen is onvoldoende om op basis daarvan aanspraken te kunnen ontlenen aan de Wubo.

2.4.

Tot slot heeft appellante nog verzocht om een onderzoek door een psychiater omdat verweerder dat heeft nagelaten. Aan een medische beoordeling komt verweerder echter pas toe indien één of meer oorlogsgebeurtenissen in de zin van artikel 2 van de Wubo zijn vastgesteld. In het geval van appellante is van erkenning van oorlogsgebeurtenissen geen sprake. Een medische beoordeling kan om die reden niet aan de orde zijn.

2.5.

Het voorgaande brengt mee dat het beroep van appellante ongegrond moet worden verklaard.

3.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2013

(getekend) R. Kooper

(getekend) S.K. Dekker

HD