Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2336

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
13-2228 BESLU
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding. Overschrijding redelijke termijn zowel in de rechterlijke als in de bestuurlijke fase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2228 BESLU, 13/2229 BESLU

Datum uitspraak: 31 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)

de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (commissie)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 16 juli 2010, kenmerk 004698/CAOR.

Bij uitspraak van 16 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0299, heeft de Raad op dit beroep beslist. In die uitspraak heeft de Raad bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij heeft de Raad tevens de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst een schriftelijke uiteenzetting gegeven en namens de commissie mr. L.H.G. Belleflamme.

Namens betrokkene heeft mr. Van Berkel hierop gereageerd.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

In zijn uitspraak van 16 mei 2013 heeft de Raad vastgesteld dat in dit geval het begin van de procedure is gelegen bij de ontvangst van het bezwaarschrift tegen het besluit van

21 september 2007, te weten 15 oktober 2007. Vanaf die datum tot aan de datum van bedoelde uitspraak is meer tijd verstreken dan de twee en een half jaar die in beginsel geldt voor een procedure in twee instanties. Voorts is vastgesteld dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn in zowel de bestuurlijke als de rechterlijke fase is overschreden.

2.

Namens de Staat is erkend dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase met bijna negen maanden is overschreden en dat betrokkene in verband daarmee een vergoeding van € 1.000,- toekomt. Betrokkene heeft zich akkoord verklaard met dit bedrag. De Raad zal de Staat tot vergoeding van dit bedrag veroordelen.

3.

Ook de commissie erkent dat met een behandelduur van de bezwaarprocedure van twee jaar en ruim zes maanden de redelijke termijn is overschreden. De commissie meent echter dat haar die behandeltijd niet volledig kan worden tegengeworpen, omdat, mede in het belang van betrokkene, sprake is geweest van “getrapte” besluitvorming, hetgeen verdisconteerd zou dienen te worden bij het vaststellen van de hier aan de orde zijnde schadevergoeding.

4.

De Raad volgt de commissie hierin niet en verwijst daarvoor naar hetgeen in zijn uitspraak van 16 mei 2013 onder 2.1 tot en met 2.4 is overwogen. De vraag of de commissie al dan niet terecht van de behandeltijd twee periodes - in totaal ongeveer vier maanden - aan betrokkene toerekent, laat de Raad daar, nu ook als dat terecht zou zijn de overschrijding meer dan twee jaar bedraagt.

5.

Het vorenstaande betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn door de commissie ruim twee jaar bedraagt. Volgens vaste rechtspraak resulteert dit in een vergoeding van vijf maal € 500,- is totaal € 2.500,-. De Raad zal de commissie tot vergoeding van dit bedrag veroordelen.

6.

De Raad ziet tenslotte aanleiding om de Staat en de commissie te veroordelen in de proceskosten van verzoeker in deze procedure. Deze kosten worden voor zowel de Staat als de commissie begroot op € 236,- voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 472,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt de Staat tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 1.000,-;

- veroordeelt de commissie tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 2.500,-;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 236,-;

- veroordeelt de commissie in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 236,-.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) P.W.J. Hospel

HD