Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2334

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
12-2280 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van eerder genomen besluit. Geen nieuwe feiten en omstandigheden. De aangifte door appellant van de identiteitsfraude is weliswaar aan te merken als een nieuw feit, maar die aangifte is geen feit dat aanleiding kan geven tot een ander besluit. Derhalve betreft het geen feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, die het terugkomen op een eerder genomen besluit rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2280 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 8 maart 2012, 11/6095 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft in een nader stuk op het verweerschrift gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2013. Voor appellant is

mr. J.H. Kruseman verschenen, kantoorgenoot van mr. Fischer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door T.A. van den Hoff.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft van 10 november 1998 tot en met 31 december 1999 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ontvangen. Appellant is volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op 12 juni 2003 naar Groot-Brittannië vertrokken en op 25 oktober 2005 weer teruggekeerd naar [woonplaats].

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst dat appellant in 1999 werkzaamheden heeft verricht voor uitzendbureaus, heeft de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Haarlem (SoZaWe) onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft SoZaWe dossieronderzoek gedaan en gegevens opgevraagd bij uitzendbureaus. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 juni 2004.

1.3.

Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft het college bij besluit van 22 juni 2004 (terugvorderingsbesluit), dat is verzonden naar het woonadres van appellant in

Groot-Brittannië, de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 1999 tot en met

28 maart 1999 herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat hij inkomsten heeft genoten die niet zijn verrekend met de aan hem verleende bijstand, zodat hij over deze periode teveel bijstand heeft ontvangen. Voorts heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 29 maart 1999 tot en met 18 oktober 1999 ingetrokken op de grond dat hij over deze periode inkomsten heeft genoten die hoger zijn dan de voor hem geldende bijstandsnorm, zodat hij over deze periode geen recht heeft op algemene bijstand. Het college heeft de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 4 januari 1999 tot en met 18 oktober 1999 tot een bedrag van € 6.395,97 van appellant teruggevorderd. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.4.

Toen appellant weer in [woonplaats] woonde, heeft de sociale recherche hem alsnog op

22 maart 2006 verhoord. De (aanvullende) onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 28 maart 2006.

1.5.

Appellant heeft van 25 oktober 2006 tot en met 8 april 2009 en van 29 december 2009 tot en met 11 september 2010 opnieuw bijstand ontvangen. Het college heeft in deze periode in verband met de openstaande vordering van € 6.395,97 maandelijks € 43,- op de uitkering van appellant ingehouden, waardoor de schuld op 7 maart 2011 nog € 3.605,17 bedroeg. Het college heeft vervolgens op 30 maart 2011 beslag gelegd op het inkomen uit arbeid van appellant, omdat hij na herhaaldelijke aanmaningen niet verder afloste op deze schuld.

1.6.

Appellant heeft op 21 april 2011 verzocht om terug te komen van het besluit van 22 juni 2004. Appellant heeft verklaard dat hij geen bijstand in 1998 en 1999 heeft ontvangen en dat hij niet voor uitzendbureaus heeft gewerkt, omdat hij die periode in Groot-Brittannië woonde. Er is sprake geweest van identiteitsfraude en appellant heeft daarvan op 24 maart 2006 aangifte gedaan.

1.7.

Bij besluit van 20 juni 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 oktober 2011 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek van appellant afgewezen op de grond dat appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangedragen die een herziening van het besluit van 22 juni 2004 rechtvaardigen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft, samengevat, aangevoerd dat iemand in 1998 en 1999 heeft gefraudeerd door met gebruikmaking van zijn identiteitsdocument voor uitzendbureaus te werken terwijl hij daarna tevens bijstand ontving. Deze identiteitsfraude en de aangifte hiervan bij het Openbaar Ministerie zijn nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het college heeft nagelaten om op zijn verzoek onderzoek te doen naar de identiteitsfraude. Appellant heeft voorts betoogd dat artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant gewezen op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 14 februari 2012, Romet vs Nederland, nr. 7094/06, www.echr.coe.int en de uitspraak 11 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM4996.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vaststaat dat tegen het besluit van 22 juni 2004 geen bezwaar is ingesteld, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Het verzoek van appellant strekt ertoe dat het college van dit genomen besluit terugkomt.

4.2.

Overeenkomstig wat voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Als geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

4.3.

De aangifte door appellant van de identiteitsfraude is weliswaar aan te merken als een nieuw feit, maar die aangifte is geen feit dat aanleiding kan geven tot een ander besluit. Derhalve betreft het geen feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, die het terugkomen op een eerder genomen besluit rechtvaardigen. Door de rechtbank is terecht overwogen dat de aangifte van appellant als zodanig niet tot de conclusie kan leiden dat appellant slachtoffer is geweest van identiteitsfraude. De naar aanleiding van de aangifte door appellant gevoerde correspondentie met het Openbaar Ministerie en de Politie Kennemerland over het uitblijven van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek, behelst evenmin feiten en/of omstandigheden op grond waarvan het college terug zou moeten komen van het eerdere besluit van 22 juni 2004. In die correspondentie wordt slechts toegelicht dat de politie niet tot opsporing en vervolging is overgegaan vanwege het ontbreken van opsporingsindicatoren en rechercheerbare factoren.

4.4.

Gelet op het voorgaande faalt het betoog van appellant dat het college heeft nagelaten om op zijn verzoek onderzoek te doen naar de identiteitsfraude. Aangezien in dit geval niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb hoefde het college geen nader onderzoek te doen

4.5.

Het beroep van appellante op het arrest van het EHRM faalt, alleen al omdat het niet om een vergelijkbaar geval gaat. Het EHRM oordeelde in die zaak dat van de zijde van de overheid ten onrechte is nagelaten direct na de aangifte van de diefstal, het rijbewijs ongeldig te verklaren, waarna betrokkene werd geconfronteerd met aanslagen voor motorrijtuigenbelasting en boetes voor verkeersovertredingen doordat een ander frauduleus zijn rijbewijs gebruikte. Bovendien werd de betrokkene gegijzeld voor het niet betalen van opgelegde boetes. Dat leverde volgens het EHRM jegens de betrokkene een schending op van artikel 8 van het EVRM. In de onderhavige zaak heeft appellant nimmer aangifte gedaan van verlies dan wel diefstal van zijn identiteitskaart. Ook een beroep op de uitspraak 11 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM4996 kan appellant niet baten, omdat hij, anders dan de betrokkene in die zaak, op geen enkele wijze met stukken aannemelijk heeft gemaakt dat hij van 1996 tot en met 2005 niet in Nederland, maar in Groot-Brittanië heeft verbleven.



4.6. Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2013.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M.R. Schuurman

ew