Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2332

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
11-3932 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Exportverbod Wajong-uitkering. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de stopzetting van de Wajong-uitkering van appellant niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De door appellant aangevoerde omstandigheden waarom hij buiten Nederland wenst te wonen, kunnen niet gerangschikt worden onder de in artikel 2 van het Besluit beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland genoemde gevallen. Ook voor het overige is niet gebleken van een noodzaak voor het wonen buiten Nederland op gronden die objectief en dwingend van aard zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3932 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 mei 2011, 11/308 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 6 november 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.G.W. van Wees, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2013. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is met ingang van 3 november 1987 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend. In 1998 is deze uitkering omgezet in een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 3 december 2008 heeft het Uwv appellant toestemming verleend om met behoud van zijn Wajong-uitkering van 3 december 2008 tot 3 december 2009 in Thailand te verblijven. Bij besluit van 17 mei 2010 heeft het Uwv appellant meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen verblijf in het buitenland tot 1 mei 2011.

1.3. In een brief van 16 september 2010 heeft appellant aan het Uwv gemeld dat hij eerder uit Thailand is teruggekomen en heeft hij verzocht om in aanmerking te komen voor emigratie naar Thailand met behoud van zijn Wajong-uitkering.

1.4. Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft het Uwv geweigerd appellant toestemming te verlenen om met behoud van zijn Wajong-uitkering buiten Nederland te gaan wonen.

1.5. Het door appellant tegen dit besluit ingediende bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 14 december 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van het ondergaan van een medische behandeling van enige duur in het buitenland, niet van het aanvaarden van arbeid, noch van het naar het buitenland volgen van degene waarvan appellant afhankelijk is.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat uit de beschikbare informatie, waaronder de brief van behandelend klinisch psycholoog/psychotherapeut drs. J. Sonneveld van 29 oktober 2008, niet blijkt van een medische noodzaak voor een verhuizing naar Thailand. Met betrekking tot de angst van appellant om een aneurysma te krijgen en zijn angst dat hij niet tijdig medische zorg zal krijgen, heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat appellant een zodanige kans heeft om nogmaals een aneurysma te krijgen dat het uit medisch oogpunt onverantwoord zou zijn om niet in Thailand onder de hoede van zijn vriendin te zijn.

3.

Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep betwist. Appellant heeft gewezen op zijn persoonlijke omstandigheden en de reële kans dat hij opnieuw getroffen wordt door een aneurysma. Appellant heeft een brief overgelegd van psychotherapeut M.H.J. Dijkman, werkzaam bij Pro Persona geestelijke gezondheidszorg, van 19 juli 2011. In deze brief heeft psychotherapeut Dijkman vermeld dat er voor appellant geen strikt medische noodzaak is om in Thailand te verblijven, maar psychologisch gezien wel, omdat de zoon en partner van appellant in Thailand verblijven. Ten slotte heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het discriminerend en onredelijk is dat hij met een WAO-uitkering wel met behoud van uitkering zou mogen emigreren en met een Wajong-uitkering niet.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen in hoofdstuk 3 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong), zoals die luiden vanaf 1 januari 2010.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in het geval van appellant geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, waardoor de weigering van het Uwv om toepassing te geven aan de in artikel 3:19, zevende lid, van de Wet Wajong opgenomen hardheidsclausule in rechte stand kan houden.

4.3.

In artikel 3:19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet Wajong is bepaald dat het recht op uitkering krachtens die wet eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Het Uwv kan dit zogenoemde exportverbod van een Wajong-uitkering op grond van het negende lid van dit artikel buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het exportverbod van de Wajong-uitkering is uitgangspunt en de hardheidsclausule kan slechts in uitzonderlijke situaties toepassing vinden.

4.4.

Het Uwv heeft in zijn Besluit beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland van 29 april 2003 (Stcrt. 2003, 84, bl. 17, hierna: Besluit) aangegeven in welke gevallen en op welke wijze toepassing zal worden gegeven aan deze hardheidsclausule.

In artikel 2 van dit Besluit is bepaald dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is, indien de jonggehandicapte zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het beëindigen van het recht op uitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende redenen worden in ieder geval aangemerkt:

a. het ondergaan van een medische behandeling van enige duur;

b. het aanvaarden van arbeid met enig re-integratieperspectief;

c. het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen.

4.5.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de stopzetting van de Wajong-uitkering van appellant niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De door appellant aangevoerde omstandigheden waarom hij buiten Nederland wenst te wonen, kunnen niet gerangschikt worden onder de in artikel 2 van het Besluit genoemde gevallen. Ook voor het overige is niet gebleken van een noodzaak voor het wonen buiten Nederland op gronden die objectief en dwingend van aard zijn. Aan de omstandigheid dat appellant zich in Thailand redelijk stabiel voelt, mede in verband met het feit dat zijn partner en zoon daar wonen, kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Met betrekking tot de angst van appellant om nogmaals een aneurysma te krijgen en niet tijdig medische zorg te krijgen als hij alleen in Nederland woont, heeft de rechtbank terecht overwogen dat niet is gebleken dat het uit medisch oogpunt onverantwoord zou zijn om niet in Thailand onder de hoede van zijn vriendin te zijn. Uit de overgelegde verklaring van de psychotherapeut Dijkmans blijkt niet van een medisch objectiveerbare noodzaak voor een verhuizing van appellant naar Thailand. Dijkmans heeft vermeld dat appellant in Thailand, anders dan in Nederland, een goed functionerend sociaal netwerk heeft opgebouwd. Hieraan kan in het licht van het uitzonderingskarakter van de hardheidsclausule geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

4.6.

Het beroep van appellant op een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van

Wajong-gerechtigden ten opzichte van rechthebbenden op een WAO-uitkering slaagt niet. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 28 april 2010, ECLI:NL:CVRB:2010:BM3440. Er is geen sprake van in rechtens relevante mate vergelijkbare gevallen, alleen al omdat de

WAO-uitkering gebaseerd is op premiebetaling en de Wajong niet. Dat voor uitkeringen op grond van andere wetten verschillende voorwaarden gelden, leidt niet tot het oordeel dat van ongerechtvaardigd onderscheid gesproken kan worden.

4.7.

Gelet op 4.1 tot en met 4.6 treft het hoger beroep van appellant geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.S. van der Kolk en

G.W.B. van Westen als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) H.J. Dekker

EK