Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2326

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
12-3424 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van een eerder genomen besluit. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3424 ZW

Datum uitspraak: 6 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

7 mei 2012, 10/332 en 121/145 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en zijn nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2013. Namens appellante is mr. Weldam, advocaat, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.Bij besluit van 6 september 2004 is de uitkering van appellante op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 7 november 2004 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Deze in bezwaar bij besluit van

4 januari 2007 gehandhaafde beslissing is bij uitspraak van de Raad van 13 mei 2009,

LJN BI4229, onherroepelijk geworden.

1.2. Over de naar aanleiding van verschillende ziekmeldingen van appellante genomen besluiten van 28 juli 2008, 23 april 2009, 1 juli 2009 en 22 september 2009, waarbij met ingang van 25 maart 2008, respectievelijk 20 november 2008, respectievelijk 18 maart 2009 en respectievelijk 24 juli 2009 ziekengeld werd beëindigd/geweigerd heeft de Raad bij uitspraak van 13 april 2011, LJN BQ1177, onherroepelijk beslist.

1.3.Op 4 mei 2011 heeft appellante verzocht om herziening van de onder 1.1 en 1.2 genoemde besluiten. Bij besluiten van 24 mei 2011 en 30 juni 2011 heeft het Uwv dat verzoek afgewezen. Bij besluit van 22 december 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen de besluiten van 24 mei 2011 en 30 juni 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan de eerdere onherroepelijk geworden besluiten zouden moeten worden herzien.

3.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte in het rapport van psychiater Y. Güzelcan van 4 maart 2011 geen aanleiding heeft gezien te oordelen dat de eerdere, op het rapport van psychiater dr. J.W.G. Meissner van 29 november 2007 gebaseerde besluiten apert onjuist zijn, nu het Uwv heeft berust in het oordeel van de rechtbank dat op basis van genoemd rapport van Güzelcan het beroep tegen het besluit tot intrekking van ziekengeld met ingang van 8 december 2009 gegrond is verklaard en het betreffende besluit is vernietigd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen.

4.2.

Een bestuursorgaan is in het algemeen eveneens bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in een dergelijk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.3.

De Raad ziet in de in hoger beroep aangevoerde grond geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als in 4.1 bedoeld, reeds op de grond dat het betreffende rapport van psychiater Güzelcan op verzoek van de rechtbank is uitgebracht met het oog op en

- uitsluitend - gericht is op de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellante op de datum 8 december 2009, zijnde een geheel andere datum dan de onderhavige data. Dat psychiater Güzelcan in een brief van 25 oktober 2011 aan de rechtbank heeft bericht dat zijn conclusie over de datum 8 december 2009 eveneens geldt voor de eerdere beoordeling in 2006, leidt niet tot een ander oordeel nu de psychiater dat standpunt op geen enkele wijze onderbouwt. Aan de proceshouding van het Uwv in het geschil over de datum 8 december 2009 kan dan ook niet de betekenis worden toegekend die appellante daaraan kennelijk gehecht wenst te zien.

4.4.

Anders dan appellante ter zitting heeft betoogd, ziet de Raad in de tuchtuitspraken ten aanzien van de eerder ingeschakelde psychiater Meissner geen aanknopingspunten anders te oordelen. Zoals in de uitspraak van de Raad van 13 april 2011 nogmaals is overwogen bevestigde het rapport van Meissner slechts het eerder gegeven verzekeringsgeneeskundige oordeel over de geschiktheid voor de toen in geding zijnde functie.

4.5.

Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, leidt tot de conclusie dat niet kan worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd. Hieruit volgt dat voor een veroordeling tot schadevergoeding in deze procedure geen plaats is en het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

5.

Voor het toekennen van een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. S. van der Kolk en

G.W.B. van Westen als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) H.J. Dekker

JL