Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2325

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
11-3817 WAJONG
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:2692, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van eerder genomen Wajong-besluit. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Dat in het rapport van MEE de voorlopige diagnose syndroom van Asperger is gesteld, borduurt voort op het aan appellant eerder in 2007 door psycholoog Peeters gestelde, zoals appellant expliciet in zijn aanvraag om een Wajong-uitkering heeft vermeld en zoals ook door de verzekeringsarts in het rapport van 24 januari 2008 reeds als diagnose was opgenomen. Het moge zo zijn dat niet eerder met stelligheid de diagnose syndroom van Asperger is gesteld en dat appellant thans meer inzicht en acceptatie vindt voor zijn beperkingen, die beperkingen zijn bij de eerdere Wajong-beoordeling reeds betrokken. De nu geduide diagnose en de kennelijke erkenning daarvan door appellant is dan ook niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid als hierboven bedoeld aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3817 WAJONG

Datum uitspraak: 6 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 mei 2011, 10/4056 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.D. Geraads, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op de nadere stukken van appellant gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Geraads. Het Uwv is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

Bij besluit van 25 februari 2008, heeft het Uwv aan appellant met ingang van 14 januari 2007, zijnde een jaar voor de datum van zijn aanvraag, uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend.

1.2.

Bij besluit van 7 juli 2010 heeft het Uwv opnieuw geweigerd het besluit van 25 februari 2008 te herzien. Bij besluit van 16 september 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2010 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de door appellant als nieuw feit aangevoerde bij hem vastgestelde diagnose syndroom van Asperger door het Uwv niet als nieuw feit wordt aanvaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vooropgesteld dat sprake is van een gehandhaafde weigering terug te komen op de ingangsdatum van de toegekende Wajong-uitkering, zoals die is bepaald bij het onherroepelijke besluit van 25 februari 2008. De rechtbank heeft geoordeeld dat de door appellant gestelde omstandigheid, dat hij pas na het besluit van 25 februari 2008 inzicht heeft verkregen in de ernst en gevolgen van zijn aandoening, niet als “novum” kan worden aangemerkt. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant bij zijn aanvraag van 10 januari 2008 om een Wajong-uitkering al gewag heeft gemaakt van de diagnose syndroom van Asperger en dat die diagnose ook bevestigd is in het rapport van de verzekeringsarts van 24 januari 2008. Voorts heeft de rechtbank uit de aanvraag om

Wajong-uitkering afgeleid dat er bij appellant inzicht in de ernst en gevolgen van zijn aandoening was en dat hij het besluit van 25 februari 2008, dat wat de ingangsdatum betreft geen erkenning als bijzonder geval inhield, had dienen aan te vechten. Appellant had de nu aangevoerde omstandigheden eerder moeten aanvoeren. De rechtbank heeft het door appellant gedane beroep op de uitspraak van de Raad van 24 februari 2010 (LJN BL5751) verworpen, omdat het in die zaak niet ging om een verzoek om terug te komen op een eerder besluit.

3.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat sprake is van nieuw gebleken feiten en omstandigheden. Volgens appellant zijn die gelegen in het feit dat hij kennis heeft gekregen van de in het rapport van Steunpunt Autisme MEE Rotterdam (MEE) van

25 augustus 2009 gestelde diagnose Asperger en de daarbij behorende beperkingen, hetgeen bij hem tot een voortschrijdend ziekte-inzicht heeft geleid.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Een bestuursorgaan is in het algemeen eveneens bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag of verzoek om herziening inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in een dergelijk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.2.

De Raad acht het in het bestreden besluit neergelegde standpunt dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als in 4.1 bedoeld, evenals de rechtbank, juist. De Raad onderschrijft in grote lijnen de door de rechtbank ter zake gegeven overwegingen. Dat in genoemd rapport van MEE de voorlopige diagnose syndroom van Asperger is gesteld, borduurt voort op het aan appellant eerder in 2007 door psycholoog Peeters gestelde, zoals appellant expliciet in zijn aanvraag om een Wajong-uitkering heeft vermeld en zoals ook door de verzekeringsarts in het rapport van 24 januari 2008 reeds als diagnose was opgenomen. Het moge zo zijn dat niet eerder met stelligheid de diagnose syndroom van Asperger is gesteld en dat appellant thans meer inzicht en acceptatie vindt voor zijn beperkingen, die beperkingen zijn bij de eerdere Wajong-beoordeling reeds betrokken. De nu geduide diagnose en de kennelijke erkenning daarvan door appellant is dan ook niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid als hierboven bedoeld aan te merken.

4.3.

Gelet op hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen behoeft het ter zitting ingenomen standpunt dat sprake is van een bijzonder geval dat aanleiding geeft tot een eerdere ingangsdatum van de Wajong-uitkering geen nadere bespreking.

5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.

Voor het toekennen van een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.S. van der Kolk en

G.W.B. van Westen als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) H.J. Dekker

JvC