Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2324

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
12-4158 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:2940, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld ingevolge de ZW. Het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen is voldoende zorgvuldig geweest en kan de getrokken conclusie dragen. De in hoger beroep (wederom) overgelegde stukken bevatten geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel met betrekking tot de gezondheidssituatie van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4158 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

7 juni 2012, 12/76 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Apppellant] te[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Bekri, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bekri en H. Bassit als tolk. Het Uwv is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant, laatstelijk via een uitzendbureau werkzaam als medewerker in een tomatenkwekerij, is op 22 juli 2011 uitgevallen met maag-, oor- en nekklachten, duizeligheid en al langer bestaande astma. Appellant is op 25 augustus 2011 op het spreekuur van een verzekeringsarts geweest, die bij onderzoek geen objectiveerbare afwijkingen kon vaststellen en appellant per 26 augustus 2011 weer geschikt heeft geacht voor zijn arbeid. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 25 augustus 2011 vastgesteld dat appellant met ingang van 26 augustus 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv, in navolging van de bevindingen van een bezwaarverzekeringsarts, als neergelegd in het rapport van 23 november 2011, bij besluit van 25 november 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is daarbij tot het oordeel gekomen dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de klachten van appellant per 26 augustus 2011 het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg waren van ziekte en, vervolgens, dat appellant als gevolg daarvan per die datum niet in staat was tot het verrichten van de in aanmerking komende arbeid. De rechtbank heeft voorts van belang geacht dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 30 januari 2012 is ingegaan op de overgelegde informatie van de huisarts van 16 november 2011 en dat uit die informatie niet volgt dat per datum in geding sprake was van zodanige psychische klachten dat appellant zijn eigen arbeid niet zou kunnen verrichten. Evenmin volgt dit naar het oordeel van de rechtbank uit de ter zitting overgelegde verklaring van 2 april 2012 van een psychiater, werkzaam bij het RIAGG Rijnmond. De rechtbank wijst er in dit verband ook op dat pas in het kader van de hoorzitting de hernieuwde ontwikkeling van de psychische klachten is aangevoerd.

3.

In hoger beroep heeft appellant (samengevat) zijn standpunt herhaald dat hij vanwege zijn lichamelijke en psychische klachten niet in staat is zijn arbeid te verrichten. Het Uwv heeft bij zijn besluitvorming geen rekening gehouden met alle juiste feiten en omstandigheden. Het bestreden besluit is kennelijk onredelijk, omdat appellant dient te voorzien in zijn onderhoud en dat van zijn vrouw en kinderen.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan het laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid tot werken verrichte werk. In het onderhavige geval is dit het werk van appellant als medewerker tomatenkwekerij.

4.2.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd en geeft geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

4.3.

De in hoger beroep (wederom) overgelegde brief van psychiater P. van Loon van 2 april 2012, het overzicht van voorgeschreven medicijnen en het Medisch advies inburgeringsexamen van de GGD Rotterdam-Rijnmond van 13 juni 2013 bevatten geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel met betrekking tot de gezondheidssituatie van appellant per datum in geding.

4.4.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Hieruit volgt dat op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van
J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) J.C. Hoogendoorn

JvC