Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2322

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
11-4318 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Het dient buiten twijfel te staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere oorzaak, wil het bepaalde in artikel 43a van de WAO niet van toepassing zijn. De bewijslast rust op degene die het standpunt huldigt dat er geen verband bestaat tussen de eerdere en de latere uitval, in dit geval dus appellant. Aan die bewijslast voldoet appellant niet. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts kan niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat bij de arbeidsongeschiktheid in november 2009 sprake was van een evident andere ziekteoorzaak dan die in verband waarmee betrokkene tot 12 juli 2005 een WAO-uitkering genoot. Een verwijzing naar de omstandigheden die zouden hebben geleid tot, dan wel oorzaak zouden zijn van het opleven van de depressieve klachten, zoals aangenomen door de bezwaarverzekeringsarts, is niet toereikend om buiten twijfel te stellen dat de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een andere oorzaak. Het bestreden besluit mist een deugdelijke medische onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4318 WAO

Datum uitspraak: 6 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

10 juni 2011, 11/155 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 11 mei 2005 heeft appellant de uitkering van betrokkene op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar de klasse 80 tot 100%, met ingang van 12 juli 2005 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene op deze datum minder dan 15% was. Dit besluit is in rechte onaantastbaar.

1.2. Betrokkene is op 20 november 2009 in opdracht van de gemeente Venray door een verzekeringsarts onderzocht met betrekking tot de aanwezigheid van structureel functionele beperkingen. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van dezelfde datum melding gemaakt van nog altijd aanwezige psychische klachten. Daarnaast heeft betrokkene sinds twee jaar longklachten en whiplashklachten. De verzekeringsarts concludeerde dat betrokkene geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft.

1.3. Op 7 januari 2010 heeft betrokkene aan appellant verzocht haar WAO-uitkering te heropenen, in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft appellant geconcludeerd dat geen sprake is van een toename van de oorspronkelijke klachten van betrokkene binnen vijf jaar na de laatste herbeoordeling in 2005. Bij besluit van 31 mei 2010 is de aanvraag om een WAO-uitkering na verkorte wachttijd afgewezen.

1.4. De bezwaarverzekeringsarts heeft in bezwaar informatie opgevraagd bij behandelend psychiater A. Broeren. Deze heeft in een brief van 19 november 2010 melding gemaakt van de diagnose aanpassingsproblemen met depressieve stemming, alsook een pijnstoornis gebonden aan zowel psychische factoren als aan een somatische aandoening bij een vrouw met kenmerken van een borderline en afhankelijke persoonlijkheidsstructuur. Betrokkene gebruikt een antidepressivum. Steeds terugkerende gesprekken blijken nodig te zijn om het toestandsbeeld niet te laten decompenseren. In zijn rapport van 13 december 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts vastgesteld dat sprake is van (toename van) arbeidsongeschiktheid. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de klachten van betrokkene reactief zijn op omstandigheden en dat de oorzaak niet primair bij een verandering in de zieke vanuit de ziekte zelf ligt, maar vooral in omstandigheden en gebeurtenissen.

1.5. Bij besluit van 14 december 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 31 mei 2010 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene per datum, gelegen vier weken na 20 november 2009, ziek is geworden als gevolg van een andere ziekteoorzaak dan de ziekteoorzaak die op 12 juli 2005 bestond.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het besluit van 14 december 2010 vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op het bezwaar dient te nemen. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat betrokkene vier weken na 20 november 2009 ziek is geworden als gevolg van een andere ziekteoorzaak dan die op 12 juli 2005 bestond. Dat veranderde omstandigheden mede hebben geleid tot het herleven van de eerdere aandoening van betrokkene is onvoldoende reden om te concluderen dat er sprake is van een andere oorzaak van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank acht die conclusie onvoldoende gemotiveerd.

3.

Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat de aanleiding voor de eerste periode van arbeidsongeschiktheid van betrokkene was gelegen in een specifieke levensgebeurtenis. De oorzaak voor de laatste periode van arbeidsongeschiktheid waren belastende omstandigheden van een andere orde. Appellant stelt dat de rechtbank dat heeft miskend.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 43a van de WAO vindt, zodra de arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd, toekenning van een WAO-uitkering plaats aan degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid is ingetrokken en die binnen vijf jaar na de intrekking arbeidsongeschikt is geworden, als die arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die in verband waarmee de ingetrokken uitkering werd genoten.

4.2.

Tussen partijen is niet geschil dat de arbeidsongeschiktheid in verband waarmee betrokkene tot 12 juli 2005 een WAO-uitkering heeft ontvangen haar oorzaak had in psychische klachten. Evenmin is in geschil dat aan de in november 2009 ingetreden arbeidsongeschiktheid naast lichamelijk klachten, waaronder whiplashklachten en longklachten, opnieuw psychische klachten ten grondslag liggen.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (onder andere een uitspraak van de Raad van

19 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8576) dient buiten twijfel te staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere oorzaak, wil het bepaalde in artikel 43a van de WAO niet van toepassing zijn. De bewijslast rust op degene die het standpunt huldigt dat er geen verband bestaat tussen de eerdere en de latere uitval, in dit geval dus appellant.

4.4.

Aan die bewijslast voldoet appellant niet. Uit het onder 1.4 genoemd rapport van de bezwaarverzekeringsarts kan niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat bij de arbeidsongeschiktheid in november 2009 sprake was van een evident andere ziekteoorzaak dan die in verband waarmee betrokkene tot 12 juli 2005 een WAO-uitkering genoot. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (in zijn uitspraak van 17 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5276) is een verwijzing naar de omstandigheden die zouden hebben geleid tot, dan wel oorzaak zouden zijn van het opleven van de depressieve klachten, zoals aangenomen door de bezwaarverzekeringsarts, niet toereikend om buiten twijfel te stellen dat de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een andere oorzaak. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bestreden besluit een deugdelijke medische onderbouwing mist en daarom niet in stand kan blijven.

5.

Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

6.

Er is aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden bepaald op de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 472,-.

7.

Van appellant wordt op grond van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet griffierecht geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 472,-;

  • -

    bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 448,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.S. van der Kolk en

G.W.B. van Westen als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) H.J. Dekker

JL