Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2317

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
11-1751 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op AOW-pensioen en –toeslag wegens niet verzekerde jaren. Vertrouwensbeginsel niet geschonden. De echtgenote van appellant kan aan Bijlage VI, Nederland, artikel 2, sub d, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 geen aanspraken krachtens de AOW ontlenen. De gelijkstelling van een ongehuwd samenwonende met een gehuwde of met een echtgenoot, geldt uitsluitend voor de AOW en daarop berustende bepalingen en dus niet voor Bijlage VI van Vo 1408/71. Vo 1408/71 ontbeert een bepaling waarin een gezamenlijke huishouding van ongehuwden wordt gelijkgesteld met een huwelijk. De Svb heeft voor de toepassing van Bijlage VI de gezamenlijke huishouding van appellant en zijn echtgenote terecht niet gelijkgesteld met een huwelijk. Dat de Svb in of na 1998 beleid heeft vastgesteld op grond waarvan onder huwelijk in artikel 2, sub d van Bijlage VI, Nederland wel een geregistreerd partnerschap wordt begrepen, kan daar niet aan afdoen. De, sinds 1 januari 1998 in het leven geroepen, rechtsfiguur van het geregistreerde partnerschap wordt in de AOW gelijkgesteld aan een huwelijk, evenals dat het geval is met een gezamenlijke huishouding van ongehuwden. Het verschil in behandeling wat betreft de toepassing van Bijlage VI tussen ongehuwden die een gezamenlijke huishouding voeren en ongehuwden die een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, vindt zijn rechtvaardiging in het feit dat een geregistreerd partnerschap op grond van het Burgerlijk Wetboek vrijwel dezelfde rechtsgevolgen heeft als een huwelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2014/148
USZ 2013/382
JB 2013/265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1751 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

18 februari 2011, 09/3951 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Frankrijk (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP 

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. 

De Svb heeft een verweerschrift ingediend. 

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2013. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van de Weerd LLB. 

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Bij brief van 15 april 2013 heeft de Svb de van de zijde van de Raad gestelde vragen beantwoord. Bij brief van 11 juli 2013 heeft appellant daar op gereageerd.

Het geding is opnieuw ter zitting behandeld op 26 september 2013. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN 

1.1. Appellant, geboren[datum]1944, en zijn echtgenote, [naam echtgenote], geboren[datum] 1947, hebben beiden tot 1979 in Nederland, laatstelijk voor het Ministerie van Onderwijs, gewerkt. Appellant heeft vanaf 1981 een uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid ontvangen. Op 1 juli 1981 hebben appellant en [naam echtgenote] hun woonplaats verlegd naar Frankrijk. Appellant en [naam echtgenote] hebben vanaf 1978 samengewoond, hebben op 13 september 1979 een notarieel samenlevingscontract gesloten en zijn op[datum] 1989 met elkaar gehuwd.

1.2. Bij besluit van 2 april 2009 heeft de Svb aan appellant met ingang van april 2009 een uitkering ingevolge de AOW toegekend bestaande uit een ouderdomspensioen en een toeslag. Op dit pensioen is een korting van 18% toegepast wegens, afgerond, negen niet verzekerde jaren van appellant. Op de toeslag is een korting toegepast van 54% wegens, afgerond, 27 niet verzekerde jaren van [naam echtgenote]. De Svb heeft [naam echtgenote] niet verzekerd geacht in de periode van

1 juli 1981, de datum waarop zij zich in Frankrijk heeft gevestigd, tot[datum] 2009, de datum waarop appellant 65 jaar is geworden. Op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71

(Vo 1408/71), Bijlage VI heeft de Svb op de toeslag geen korting toegepast in verband met het tijdvak van 31 juli 1989, de datum van het huwelijk, tot en met 2 augustus 1989, de zogenoemde huwelijkse tijdvakken.

1.3. Het bezwaar tegen het besluit van 2 april 2009 heeft de Svb bij besluit op bezwaar van

31 juli 2009 ongegrond verklaard.

2.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de Svb niet gebonden kan worden geacht aan mogelijke onjuiste mededelingen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) omtrent het verzekerd zijn van [naam echtgenote]. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het tijdvak van 31 juli 1989, de datum van het huwelijk, tot en met

2 augustus 1989 terecht in aanmerking is genomen. In de periode daaraan voorafgaand hadden appellant en [naam echtgenote] weliswaar een samenlevingscontract, doch dat kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot het toepassen van Bijlage VI. Uit Bijlage VI volgt niet dat ongehuwd samenwonenden met een notarieel samenlevingscontract met gehuwden kunnen worden gelijkgesteld.

3.

Appellant heeft in hoger beroep in essentie zijn gronden van beroep herhaald. Naar de mening van appellant is bij hem de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat zijn echtgenote vanaf het vertrek naar Frankrijk verzekerd is gebleven ingevolge de AOW. Hij keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het ABP niet bevoegd was mededelingen met betrekking tot het AOW-pensioen te doen. Verder heeft appellant ter zitting zijn in bezwaar geuite grond herhaald dat de jaren waarin tussen appellant en [naam echtgenote] een notarieel samenlevingscontract van kracht was, gelijk moeten worden gesteld aan jaren waarin sprake was van een huwelijk. In brochures van de Svb wordt dit zo gesteld, aldus appellant.

4.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Voorop moet worden gesteld dat bij de vaststelling van de hoogte van de aan appellant toegekende toeslag het aantal verzekerde jaren van zijn echtgenote bepalend is. Op grond van artikel 6 van de AOW is verzekerd degene die ingezetene van Nederland is, dan wel ter zake van hier te lande verrichte arbeid in dienstbetrekking onderworpen is aan de loonbelasting. Artikel 13, tweede lid, van de AOW bepaalt dat op de toeslag een korting wordt toegepast van 2% voor elk jaar dat de echtgenoot van de pensioengerechtigde niet verzekerd is geweest na het bereiken van de 15-jarige leeftijd en voor het bereiken van de

65-jarige leeftijd van de pensioengerechtigde. Niet in geschil is dat [naam echtgenote] vanaf haar vertrek naar Frankrijk in 1981 niet in Nederland heeft gewoond of gewerkt en dat zij over het tijdvak vanaf 1981 aan het nationale recht geen aanspraak op pensioen ingevolge de AOW kan ontlenen.

4.2.

De Raad volgt appellant niet in de stelling dat sprake is van in rechte te honoreren gerechtvaardigde verwachtingen. Zoals de Raad herhaaldelijk tot uitdrukking heeft gebracht kan een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts slagen, indien door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een aanvrager uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan die bij die aanvrager gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een brief van 13 februari 1985 van het ABP overgelegd. Het ABP schrijft aan appellant dat in de regel bij vestiging in het buitenland de verzekering ingevolge de AOW eindigt. In afwijking van deze regel blijft in een aantal gevallen de verzekering voortduren. Aangezien appellant in een EEG-land is gaan wonen en op hem een invaliditeitspercentage van meer dan 45 van toepassing is, blijft de AOW in principe op hem van toepassing, aldus het ABP. Om te kunnen beoordelen of dat ook feitelijk zo is, wordt appellant verzocht een formulier in te vullen. In de eerste plaats wordt opgemerkt dat in deze brief geen onvoorwaardelijke toezegging wordt gedaan. De beoordeling van de verzekeringspositie dient nog plaats te vinden op grond van de nader aan te leveren feiten. Voorts is deze brief afkomstig van een ander bestuursorgaan dan de Svb en is de brief aan appellant gericht. Er wordt niets gesteld over de verzekeringspositie krachtens de AOW van [naam echtgenote], die immers geen invaliditeitspensioen genoot, na vertrek uit Nederland (vgl. CRvB 20 januari 2007,

LJN AZ7377). Verder heeft appellant gesteld dat op zijn invaliditeitspensioen voor twee personen premie ingevolge de AOW is ingehouden. De door appellant overgelegde uitkeringsspecificaties bevestigen deze stelling echter niet. Wat betreft de stelling van appellant dat de brochures van de Svb verwachtingen hebben gewekt, wordt opgemerkt dat in deze brochures louter uitspraken worden gedaan over de hoogte van de uitkering bij samenwonen en niet over het al dan niet verzekerd zijn bij samenwonen. Op grond van de beschikbare gegevens is voor de Raad niet komen vast te staan dat vanwege de Svb bij appellant zodanige verwachtingen zijn gewekt dat daarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel jegens de Svb kan worden gebaseerd met betrekking tot de verzekeringspositie van [naam echtgenote].

4.3.

Vervolgens rijst de vraag of [naam echtgenote] aan Bijlage VI, Nederland, artikel 2, sub d, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 aanspraken krachtens de AOW kan ontlenen. Op grond van het bepaalde onder 2d van deze Bijlage wordt de korting bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de AOW, niet toegepast voor kalenderjaren of delen daarvan welke vóór 2 augustus 1989 zijn gelegen en die, kort gezegd, samenvallen met verzekeringstijdvakken die door de echtgenoot zijn vervuld en gedurende welke tijdvakken zij met elkaar waren gehuwd. Met betrekking tot de tijdvakken in geschil, gelegen in de jaren van 1981, het vertrek naar Frankrijk, tot

31 juli 1989, de datum van het huwelijk, dient de Raad te beoordelen of de Svb zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat appellant hieraan geen rechten kan ontlenen voor de toeslag omdat [naam echtgenote] niet met appellant gehuwd was.

4.4.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het ontbreken van het huwelijk hem niet tegengeworpen kan worden omdat hij met [naam echtgenote] een gezamenlijke huishouding voerde, vanaf 13 september 1979 onder de vigeur van een notariële samenlevingsakte, en de Svb een dergelijke samenleving gelijkstelt aan een huwelijk.

4.5.

Bij de stelselherziening van het socialezekerheidsstelsel per 1 januari 1987 is in een groot aantal socialezekerheidswetten, waaronder de AOW, het ongehuwd voeren van een gezamenlijke huishouding gelijkgesteld aan het huwelijk. Op 1 januari 1987 is artikel 1 van de AOW in die zin gewijzigd dat als gehuwd of als echtgenoot mede wordt aangemerkt de ongehuwd meerderjarige die met een andere ongehuwd meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert.

4.6.

De Svb heeft de volgende onderbouwing gegeven voor het standpunt dat [naam echtgenote] geen recht op verzekering - en appellant dus geen recht op toeslag - ingevolge de AOW kan ontlenen aan Bijlage VI, Nederland, artikel 2, sub d, van Vo 1408/71 in het tijdvak waarin zij ongehuwd een gezamenlijke huishouding voerde met appellant. De gelijkstelling van een ongehuwd samenwonende met een gehuwde of met een echtgenoot, geldt uitsluitend voor de AOW en daarop berustende bepalingen en dus niet voor Bijlage VI van Vo 1408/71. Vo 1408/71 ontbeert een bepaling waarin een gezamenlijke huishouding van ongehuwden wordt gelijkgesteld met een huwelijk. Dit betekent dat de Svb voor de toepassing van Bijlage VI de gezamenlijke huishouding van appellant en [naam echtgenote] terecht niet heeft gelijkgesteld met een huwelijk. Dat de Svb in of na 1998 beleid heeft vastgesteld op grond waarvan onder huwelijk in artikel 2, sub d van Bijlage VI, Nederland wel een geregistreerd partnerschap wordt begrepen, kan daar niet aan afdoen. De, sinds 1 januari 1998 in het leven geroepen, rechtsfiguur van het geregistreerde partnerschap wordt in de AOW gelijkgesteld aan een huwelijk, evenals dat het geval is met een gezamenlijke huishouding van ongehuwden. De Svb heeft echter gesteld dat dit verschil in behandeling wat betreft de toepassing van Bijlage VI tussen ongehuwden die een gezamenlijke huishouding voeren en ongehuwden die een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, zijn rechtvaardiging vindt in het feit dat een geregistreerd partnerschap op grond van het Burgerlijk Wetboek vrijwel dezelfde rechtsgevolgen heeft als een huwelijk. Dit geldt ten aanzien van het voeren van een gezamenlijke huishouding niet. De Raad is met de Svb van oordeel dat het verschil in rechtsgevolgen tussen beide samenlevingsvormen voldoende rechtvaardiging vormt voor het gemaakte onderscheid. Zo hebben geregistreerde partners, evenals gehuwden, een wettelijke onderhoudsverplichting jegens elkaar en recht op pensioenverevening. De

sociaal-economische band tussen geregistreerde partners die onder meer hieruit voortvloeit, is in zijn algemeenheid dwingender en hechter dan die tussen ongehuwden.

4.7.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en

B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2013.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) S. Aaliouli

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerde.

QH